Please download to get full document.

View again

of 5
All materials on our website are shared by users. If you have any questions about copyright issues, please report us to resolve them. We are always happy to assist you.

3 Verdeling van gezinnen volgens bezit van vervoermiddelen

Category:

Industry

Publish on:

Views: 20 | Pages: 5

Extension: PDF | Download: 0

Share
Related documents
Description
3 Verdeling van gezinnen volgens bezit van vervoermiddelen Tabel 3. Verdeling van gezinnen volgens het bezit van personenwagens PERSWAGA Frequency Percent Frequency Percent ƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒ
Transcript
3 Verdeling van gezinnen volgens bezit van vervoermiddelen Tabel 3. Verdeling van gezinnen volgens het bezit van personenwagens PERSWAGA Frequency Percent Frequency Percent ƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒ Eén op vijf gezinnen in het stadsgewest Gent bezit geen personenwagen. 57% van de huishoudens heeft één auto. Nog eens één op vijf gezinnen bezit twee wagens. In vergelijking met Vlaanderen zijn er in Gent meer gezinnen zonder personenwagen (20,4% tegenover 14,3% in OVG ) en minder gezinnen met twee wagens (20,2% tegenover 24,2%). Het aandeel gezinnen met een wagen is omzeggens gelijk in de twee onderzoeken. Eén van de oorzaken voor deze afwijkende verdeling is mogelijks het feit dat steden een armere bevolking hebben. Tabel 4. Verdeling van gezinnen volgens fietsbezit FIETSA Frequency Percent Frequency Percent ƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒ Het fietsbezit gaat de Gentenaren nog minder af dan het autobezit: 26% van de huishoudens heeft geen fiets. In vergelijking met OVG is dit merkelijk minder (OVG : 18,5%). OVG GENT (januari 2000-januari 2001): DEEL 2: ANALYSE GEZINSVRAGENLIJST 9 Tabel 5. Verdeling van gezinnen volgens bezit van (snor-) en bromfietsen BRSNORA Frequency Percent Frequency Percent ƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒ Tabel 6. Verdeling van gezinnen volgens motorbezit MOTORA Frequency Percent Frequency Percent ƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒ Snor-, brom- en motorfietsen zijn veel minder verspreide vervoermiddelen. 7% van de huishoudens bezit een brom- of snorfiets, 4,7% een motor. Tabel 7. Gemiddeld aantal vervoermiddelen per gezin Variable Label Mean PERSWAGA Aantal personenwagens BESTELA Aantal bestelwagens FIETSA Aantal fietsen BRSNORA Aantal brom- en snorfietsen MOTORA Aantal motoren ANDERA Aantal andere vervoermiddelen In Tabel 7 geven we de gemiddelde aantallen vervoermiddelen per gezin weer. Het verschil tussen Gent en Vlaanderen zit vooral in het aantal personenwagens (1,06 tegenover 1,17) en in het aantal fietsen (1,77 tegenover 2,16). In bijlage is het aantal auto s uitgezet tegenover vier verschillende variabelen: geslacht en leeftijd van het gezinshoofd, aantal gezinsleden en totaal netto-inkomen van het gezin. Deze tabellen leggen geen verband tussen de vier variabelen, waardoor er verkeerde interpretaties kunnen ontstaan. We vinden bijvoorbeeld dat het gemiddeld aantal wagens bij mannelijke gezinshoofden 1.21 is, en bij vrouwelijke 0.69 (Tabel 33). Dat zou kunnen zijn omdat vrouwen niet graag rijden, en dus minder auto s willen, maar dat zou ook kunnen zijn omdat vrouwen gemiddeld minder verdienen, en dus minder wagens kunnen betalen, of omdat gezinnen met vrouwelijke gezinshoofden meer kinderen hebben, en dat de kosten in dergelijke gezinnen naar andere zaken gaan dan naar wagens. Dat is aan een tabel die enkel één (verklarende) variabele gebruikt niet te zien. We kunnen dit wel analyseren met regressie. Voor details over de regressie zelf verwijzen we naar het methodologisch document (deel 1) en naar bijlage 7.1. De resultaten van de analyse tonen we hieronder. OVG GENT (januari 2000-januari 2001): DEEL 2: ANALYSE GEZINSVRAGENLIJST 10 Tabel 8. Lineaire regressie van aantal personenwagens per gezin Lineaire regressie (N=2746, Adj R-sq = ) Parameter Standard T for H0: Variable DF Estimate Error Parameter=0 Prob T INTERCEP VROUW LEDEN LEDEN TOTINK TOTINK TOTINK TOTINK LEEFT LEEFT GENT RANDGEM VROUW L1LFT L1LFT L2LFT INK9LF GENTLF GENTINK In Tabel 8 is het aantal personenwagens per gezin uitgezet als functie van geslacht en leeftijd van het gezinshoofd, aantal gezinsleden, totaal netto-inkomen van het gezin en ligging van de woning in Gent. De verklaring van de (cryptisch geformuleerde) variabelennamen uit Tabel 8 staat in Tabel 29. De betekenis van deze tabel is de volgende: Als referentie vindt het statistisch pakket een gezin van meer dan 2 leden met een mannelijk gezinshoofd jonger dan 45 jaar met een netto maandelijks gezinsinkomen van BEF of minder dat in een deelgemeente van Gent woont, maar niet in Gent zelf. Dit zijn de variabelen die het statistisch pakket als referentie genomen heeft, niet omdat dit het meest klassieke gezin in Gent zou zijn, maar omdat op deze wijze de verschillen significanter aangegeven konden worden. Zulk gezin heeft gemiddeld 0.92 wagens (versta: 1 wagen), zie de variabele INTERCEP op de eerste lijn van Tabel 8. Indien de variabelen van de tabel die volgen op de variabele INTERCEP (vrouw, leden1, leden2 enz.) voor een bepaalde gezinssituatie van toepassing zijn dan wordt het getal dat onder 'Parameter Estimate' staat en dat overeenkomt met die bepaalde variabele bij de waarde 0.92 opgeteld of afgetrokken. Dit zijn dus in feite 'correcties' op de waarde 0,92 van het 'referentiegezin' voor de gezinnen die hiervan afwijken. Bijvoorbeeld, indien het gezin slechts één lid heeft, dan is het aantal wagens = De correcties zijn cumulatief: elke correctie wordt opgeteld bij de vorige. Stel dat het gezin niet alleen afwijkt van het standaardgezin doordat er maar 1 gezinslid is, maar ook doordat het gezin in Gent zelf woont, dan is het aantal wagens = = Bemerk dat sommige combinaties nooit kunnen voorkomen: we kunnen nooit én de correctie hebben voor 1 gezinslid én de correctie voor 2 gezinsleden. Bespreking van het regressiemodel. Indien het gezinshoofd een vrouw is, stijgt het aantal wagens met Dit maakt dus geen verschil. Het in Tabel 33 genoemde effect is dus niet zuiver te wijten aan het feit of een gezinshoofd nu vrouw is of niet. Enkel vrouwelijke gezinshoofden ouder dan 65 jaar hebben minder wagens: 0.92 (standaard) 0.00 (vrouw) ( 65 jaar) 0.20 = Ruwweg kunnen we dit formuleren als: OVG GENT (januari 2000-januari 2001): DEEL 2: ANALYSE GEZINSVRAGENLIJST 11 ongeveer ¾ van de huishoudens met een vrouwelijk gezinshoofd in de referentiesituatie ouder dan 65 jaar heeft een wagen 5. Op het eerste gezicht lijkt dit aantal vrij hoog. Maar bedenk dat we nog steeds gezinnen behandelen met 3 of meer gezinsleden. In werkelijkheid is het zo dat gezinnen met vrouwelijke gezinshoofden ouder dan 65 jaar meestal minder gezinsleden hebben, waarvoor dan opnieuw gecorrigeerd moet worden (zie later). Daar waar er toch nog drie gezinsleden zijn, gaat het vaak over inwonende kinderen, die dan inderdaad meestal een auto hebben. Indien er maar 1 persoon is dan daalt het aantal wagens met We hadden als standaard Verminderd met 0.33 geeft dit 0.59 (versta: Bij personen die alleen wonen heeft gemiddeld 2 op 3 een auto). Bij gezinnen met 2 personen daalt het aantal wagens met 0.20 tot =0.72. De invloed van het inkomen is evident: hoe meer men boven het bestaansminimum verdient, hoe meer wagens men heeft. Voor inkomens tussen stijgt het aantal met 0.18 tot =1.10, voor inkomens tussen stijgt het aantal tot 1.45, voor inkomens tussen tot 1.82 (zeg maar 2 auto s per gezin) en voor inkomens groter dan uiteindelijk tot De leeftijd van het gezinshoofd bepaalt in combinatie met andere variabelen eveneens het aantal wagens. Zoals hoger gezegd hebben vrouwen ouder dan 65 jaar minder vaak een wagen. Ook alleenwonende 65-plussers hebben minder wagens, nog minder dan de andere personen die alleen wonen : 0.92 (standaard) 0.33 (alleenwonend) (65-plusser) 0.17 (alleenwonende 65-plusser) = Ongeveer 1 op 2. Het aantal wagens bij gezinshoofden tussen 45 en 64 jaar is vrij complex om te berekenen. Deze groep heeft normaal gezien 0.23 meer wagens: =1.15, maar dit extra aantal verdwijnt als ze alleen wonen (dan komen ze op 0.58) net zoals de andere personen die alleen wonen. Indien er twee gezinsleden zijn dan heeft deze groep 0.81 wagens per gezin, waar dat voor huishoudens met jongere of oudere gezinshoofden 0.72 is. Indien ze 'rijk' zijn ( BEF) hebben ze gemiddeld 2.76 wagens tegenover 2.09 voor oudere of jongere 'rijken'. Indien ze in Gent zelf wonen hebben ze minder auto s dan de andere uit dezelfde leeftijdsgroep: =0.84 wagens per huishouden i.p.v. 1.15, maar wel meer wagens dan huishoudens met oudere of jongere gezinshoofden, die ook in Gent zelf wonen: =0.75. Tenslotte het effect van het stedelijk wonen: hoe stedelijker, hoe minder auto s per huisgezin. Onder gelijke omstandigheden hebben de bewoners van Gent zelf = 0.75 auto s, huishoudens in de deelgemeenten 0.92, en huishoudens in de randgemeenten, die nog verder van het centrum wonen dan de gewone deelgemeenten van Gent, = 1.05 auto s. Zoals hoger vermeld is er een neveneffect van de leeftijd van het gezinshoofd voor huishoudens in Gent zelf. Huishoudens met een inkomen BEF per maand hebben in de binnenstad 0.17 wagens minder per huishouden dan huishoudens in de deelgemeenten. Voor huishoudens met een inkomen tussen en is dit verschil slechts Voor huishoudens met een inkomen hoger dan BEF is het verschil weer Enkele typische situaties: (a) Een alleenwonende werkloze jongere in de binnenstad met een inkomen heeft gemiddeld 0.92 (standaard) 0.33 (alleenwonend) 0.17 (Gent) = 0.42 wagens. Anders geformuleerd ongeveer de helft van deze personen hebben een wagen. (b) Een koppel van 30 jaar met 1 kind die in een van de deelgemeenten wonen en een gezinsinkomen tussen en heeft gemiddeld 0.92 (standaard) (inkomen ) = 1.10 wagens. Zowat elk gezin van dit type heeft een wagen, sommigen hebben twee wagens, maar evenveel hebben er geen. (c) Een koppel van 47 met drie nog in huis wonende kinderen, die aan de rand van Gent wonen en waarbij beide ouders en een kind werken met een inkomen van hebben gemiddeld 0.92 (standaard) (inkomen ) (45-64 jaar) (randgemeente) = 2.18 wagens. Meestal twee wagens, sommigen een, anderen drie of vier. (d) Een gepensioneerde weduwe van 70 jaar met een inkomen van die in een deelgemeente woont heeft 0.92 (standaard) 0.00 (vrouw) (alleen) (inkomen ) ( 65 jaar) 0.20 (vrouw 65 jaar) 0.17 (65+ en alleen) = 0.42 auto s. Iets meer dan 4 op 10 hebben een wagen. 5 Deze herformulering is statistisch gesproken niet helemaal correct. We moeten ook rekening houden met de mogelijkheid dat sommige meer dan 1 wagen kunnen hebben. Maar het is een goede benadering om een beeld te krijgen op de situatie. OVG GENT (januari 2000-januari 2001): DEEL 2: ANALYSE GEZINSVRAGENLIJST 12 Tabel 9. Overzicht van de impact van variabelen op het aantal wagens Gezinseigenschap Parameter estimate inkomen en j 1,84 inkomen ,17 inkomen ,90 inkomen ,53 leeftijd j 0,23 inkomen ,18 randgemeente Gent 0,13 Gent en ink ,11 leeftijd 65 j 0,02 vrouw 0,00 Gent en j -0,08 2 leden lid en j -0,11 Gent -0,17 vrouw 65 j -0,18 2 leden -0,20 1 lid -0,33 1 lid en j -0,35 1 lid en 65 j -0,48 In Tabel 9 geven we een overzicht van de variabelen in de volgorde die ze hebben op het aantal wagens van een huishouden (de persoonsvariabelen hebben betrekking op het gezinshoofd). Inkomen heeft het meeste impact op het wagenpark, in absolute grootte gevolgd door alleen wonen. Geslacht van het gezinshoofd heeft enkel effect voor de oudste leeftijdsklasse. OVG GENT (januari 2000-januari 2001): DEEL 2: ANALYSE GEZINSVRAGENLIJST 13
Similar documents
View more...
Search Related
We Need Your Support
Thank you for visiting our website and your interest in our free products and services. We are nonprofit website to share and download documents. To the running of this website, we need your help to support us.

Thanks to everyone for your continued support.

No, Thanks