Please download to get full document.

View again

of 112
All materials on our website are shared by users. If you have any questions about copyright issues, please report us to resolve them. We are always happy to assist you.

Afstudeerscriptie. Een onderzoek naar de wijze van toetsing door de kinderrechter bij de vervallenverklaring ex art. 1:259 BW

Category:

Homework

Publish on:

Views: 20 | Pages: 112

Extension: PDF | Download: 0

Share
Related documents
Description
Afstudeerscriptie Een onderzoek naar de wijze van toetsing door de kinderrechter bij de vervallenverklaring ex art. 1:259 BW Naam Studentennummer Master Vak Scriptiebegeleidster Examencommissie Marissa
Transcript
Afstudeerscriptie Een onderzoek naar de wijze van toetsing door de kinderrechter bij de vervallenverklaring ex art. 1:259 BW Naam Studentennummer Master Vak Scriptiebegeleidster Examencommissie Marissa Bolkenbaas s Rechtsgeleerdheid, accent privaatrecht (civiel) Jeugdrecht Mw. Mr. de Jong Prof. Mr. Vlaardingerbroek, mw. Mr. de Jong en mw. Mr. Kouwenhoven VOORWOORD Mijn master Rechtsgeleerdheid is toegespitst op het accent privaatrecht, waarbij ik voor mijn afstudeerscriptie gekozen heb voor het vak (civiel) jeugdrecht. Het facet kinderbeschermingsmaatregelen heeft sterk mijn interesse en daarom heb ik voor een onderwerp gekozen waarbij de plaats van het kind centraal staat. Graag wil ik mijn theoretische kennis combineren met de praktijk en daarom is mijn streven erop gericht geweest om mijn afstudeerscriptie te combineren met een stage waardoor mijn bevindingen hopelijk ook in de praktijk kunnen bijdragen aan een beter inzicht in bepaalde aspecten van het recht. Op deze plaats wil ik een aantal mensen hartelijk danken voor de wijze waarop zij mij geïnformeerd en gestimuleerd hebben. Voor de mogelijkheid tot dossieronderzoek bij de Rechtbank Breda wil ik graag mevrouw Monique Janssen hartelijk danken. Esther Kouwenhoven en Tamara Ruinaart wil ik graag bedanken voor de begeleiding tijdens mijn stageperiode, hun inzet en hulp bij mijn onderzoek en schrijfproces. Ook wil ik mijn kamergenoot Roy Weterings bedanken voor zijn geduld en tips tijdens mijn stageperiode. Ook wil ik Romy de Jong als scriptiebegeleider bedanken voor haar inzet en hulp bij het schrijven van mijn scriptie. Tenslotte wil ik mijn ouders en broer bedanken voor hun steun tijdens mijn afstudeerperiode. Tilburg, september 2011 Marissa Bolkenbaas II INHOUDSOPGAVE Lijst van gebruikte afkortingen Gebruikte benamingen VII VIII Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 De aanleiding voor het onderzoek De probleemomschrijving De onderzoeksvraag De methoden van onderzoek 2 Hoofdstuk 2 De ondertoezichtstelling in relatie tot de schriftelijke aanwijzing 2.1 Inleiding De ondertoezichtstelling De ontstaansgeschiedenis De oplegging van de ondertoezichtstelling De wetswijziging van 1995 inzake de ondertoezichtstelling De taak van Bureau Jeugdzorg en de gezinsvoogd De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing De schriftelijke aanwijzing Inleiding Het wetsvoorstel Herziening Kinderbeschermingsmaatregelen De omgangsregeling/contactbeperking De schriftelijke aanwijzing in relatie tot de Awb De beroepsmogelijkheden tegen de schriftelijke aanwijzing De schriftelijke aanwijzing in de praktijk Het onderzoek Het soort schriftelijke aanwijzing De schriftelijke aanwijzingen ex art. 1:258 en 1:263a BW De toepassing van de Awb De beroepsmogelijkheden tegen de schriftelijke aanwijzing Conclusie 18 III Hoofdstuk 3 De vervallenverklaring, wat voor soort toetsing? 3.1 Inleiding De vervallenverklaring door de kinderrechter Art. 1:259 BW De contactbeperking/omgangsregeling Knelpunten ten aanzien van de vervallenverklaring De soort toetsing Inleiding Ex nunc beoordeling Een marginale toetsing Een volle toetsing Zowel een marginale als een volle toetsing De ambtshalve toetsing Inleiding Ambtshalve aanvulling van de rechtsgronden Ambtshalve toetsing De gronden van toetsing bij de vervallenverklaring Inleiding Bekeken vanuit de MvT, literatuur, jurisprudentie en de wetsbepalingen bij de ots Opmerkingen uit dossieronderzoek Toetsing volgens de kinderrechters Toetsing volgens de juridisch medewerkers Conclusie 34 Hoofdstuk 4 De vervallenverklaring in de praktijk 4.1 Inleiding Het dossieronderzoek De aanzet tot de vervallenverklaring De kinderbeschermingsmaatregelen Het ingediende verzoek De beslissing van de kinderrechter De bevoegdheid ex art. 1:263a lid 2 BW Verzoekschrift te laat ingediend Verzoeker niet-ontvankelijk verklaard Buiten behandeling gestelde zaken 41 IV 4.5 De gronden voor een al dan niet vervallenverklaring Inleiding Toewijzing van het verzoek Afwijzing van het verzoek Toetsing volgens de kinderrechters Toetsing volgens de juridisch medewerkers Conclusie 47 Hoofdstuk 5 Overeenkomstig de marginale en/of volle toetsing? 5.1 Inleiding Herleiding van de gronden naar de wijze van toetsing De marginale toetsing De volle toetsing Buiten beschouwing gelaten zaken De wijze van toetsing door de kinderrechter Het werkformulier De volgorde van toetsing Het dossieronderzoek Sprake van noch marginale, noch volle toetsing Onvoldoende toetsing Marginale toetsing Wel marginale maar geen volle toetsing Geen marginale maar wel volle toetsing Zowel marginale als volle toetsing Het gebruik van de bouwsteen Toetsing volgens de kinderrechters Toetsing volgens de juridisch medewerkers Constateringen Toetsing door de kinderrechters Toetsing door de juridisch medewerkers Conclusie 62 Hoofdstuk 6 Conclusies en aanbevelingen 6.1 Inleiding De schriftelijke aanwijzing en de vereisten van de Awb De vervallenverklaring en zijn bepalingen in de theorie 64 V 6.4 Gronden voor een al dan niet vervallenverklaring van een schriftelijke aanwijzing Het gebruik van marginale en/of volle toetsing bij de al dan niet vervallenverklaring in de praktijk Beantwoording hoofdvraag Aanbevelingen 67 Literatuurlijst 70 Jurisprudentielijst 73 Bijlagen Bijlage 1 Interview met Bureau Jeugdzorg Tilburg 74 Bijlage 2 Clausules in de schriftelijke aanwijzing van Bureau Jeugdzorg 82 Bijlage 3 Enquête aan de kinderrechters en juridisch medewerkers 84 Bijlage 4 Overzicht van standpunten en bepalingen inzake de toetsing 86 Bijlage 5 Dossieronderzoek naar de vervallenverklaring 89 Bijlage 6 Werkformulier beschikking tot al dan niet vervallenverklaring 90 Bijlage 7 Beschikkingen omtrent de marginale en volle toetsing 93 VI LIJST VAN GEBRUIKTE AFKORTINGEN ABRvS AMK art. Awb AWBZ BJZ BW CRvB e.v. EVRM hbo IVRK HR jo ots Rv uhp UWjz Wjz wo Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State Advies & Meldpunt Kindermishandeling artikel Algemene Wet Bestuursrecht Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten Bureau Jeugdzorg Burgerlijk Wetboek Centrale Raad van Beroep en verder Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens hoger beroeps onderwijs Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind Hoge Raad juncto ondertoezichtstelling Rechtsvordering uithuisplaatsing Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg Wet op de jeugdzorg wetenschappelijk onderwijs VII GEBRUIKTE BENAMINGEN Van gezinsvoogdij-instelling naar Stichting als bedoeld in art. 1 onder f Wjz Op 1 januari 2005 is de Wet op de jeugdzorg (hierna: Wjz) in werking getreden. Dit heeft enkele wijzigingen met zich meegebracht omtrent de wetswijziging van 1 november Waar in Kamerstukken wordt gesproken van een gezinsvoogdij-instelling, spreekt men tegenwoordig van een Stichting, bedoeld in art. 1, onder f, van de Wjz (zie art. 259 lid 2 BW): een Stichting die een Bureau Jeugdzorg in stand houdt. Deze drie termen worden dan ook als synoniemen in mijn scriptie gebruikt. Bij de bespreking van de Kamerstukken zal ik wel de oude benaming gezinsvoogdij-instelling gebruiken om zo verwarring te voorkomen. Buiten deze Kamerstukken zal ik spreken over de Stichting, bedoeld in art. 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg of over (Stichting) Bureau Jeugdzorg. Gezinsvoogdijmedewerker/gezinsvoogd Bureau Jeugdzorg is belast met de tenuitvoerlegging van de ondertoezichtstelling (art. 1:254 lid 1 BW). Zij stellen vervolgens een gezinsvoogdijmedewerker aan (art. 1 onder o UWjz) die is belast met de uitoefening van de taak, als bedoeld in art. 10 lid 1 onder b van de Wjz. In het laatste genoemde artikel wordt de uitoefening van art. 257 van boek 1 van het BW uitbesteed aan de gezinsvoogdijmedewerker. In de literatuur gebruikt men ook de benaming gezinsvoogd, waarmee hetzelfde wordt bedoeld. Beide benamingen worden gebruikt in mijn scriptie. VIII HOOFDSTUK 1 INLEIDING 1.1 De aanleiding voor het onderzoek Om gebruik te kunnen maken van een stage voor mijn afstudeerscriptie is door mevrouw Mr. R. de Jong (van de Universiteit van Tilburg) contact gelegd met mevrouw Mr. M. Janssen (van de Rechtbank Breda). Vanuit de Rechtbank is de wens naar voren gekomen om nader onderzoek te laten verrichten naar de vervallenverklaring van een schriftelijke aanwijzing. Het verzoek van de Rechtbank heb ik in december 2010 uitgewerkt en vervolgens ben ik gekomen tot een onderzoeksvoorstel. Het doel van mijn stage is d.m.v. dossieronderzoek meer inzicht te krijgen over de wijze waarop de kinderrechter al dan niet tot een vervallenverklaring van een schriftelijke aanwijzing komt. Om een nog beter beeld te krijgen hoe de vervallenverklaring in de praktijk plaatsvindt, heb ik een aantal rechtszaken mogen bijwonen. 1.2 De probleemomschrijving Volgens de wetsgeschiedenis dient de schriftelijke aanwijzing te voldoen aan de regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 1 Bij een verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing zal de kinderrechter dan ook dienen te toetsen aan de Awb, ook wel aangeduid als de marginale toetsing. Naast deze marginale toetsing dient de kinderrechter volgens de jurisprudentie bij de vervallenverklaring ook vol te toetsen aan het belang van de minderjarige, oftewel de volle toetsing. 2 De vraag is echter of de kinderrechter in de praktijk ook beide soort toetsingen op de juiste wijze toepast. Wat geeft voor de kinderrechter de doorslag om een schriftelijke aanwijzing al dan niet vervallen te verklaren, oftewel welke gronden worden hieraan ten grondslag gelegd? 3 Van belang is of er bepaalde richtlijnen vallen te ontdekken in de uitspraken van de kinderrechters. Hier wil ik mij met mijn onderzoek dan ook op richten. 1.3 De onderzoeksvraag Mijn onderzoek zal zich voornamelijk richten op de wijze van toetsing van de schriftelijke aanwijzing door de kinderrechter en de gronden die hieraan ten grondslag worden gelegd. Daarom heb ik de volgende onderzoeksvraag opgesteld: Op welke wijze vindt de toetsing bij de vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing door de kinderrechter ex art. 1:259 BW plaats en geschiedt dit overeenkomstig de beide soorten toetsingen? 1 Kamerstukken II 1992/93, , nr. 3, p HR 26 september 2003, NJ 2004, 97, r.o Zie ook De Savornin Lohman e.a. 2002, p Deze probleemstelling wordt in dit onderzoek gevormd door een aantal hoofdvragen: 1. Wat is een schriftelijke aanwijzing en komen de vereisten die de Awb stelt aan een aanwijzing van Bureau Jeugdzorg ook daadwerkelijk terug in de opgelegde schriftelijke aanwijzing? (Hoofdstuk 2) 2. Op welke wijze vindt de vervallenverklaring van de kinderrechter plaats en aan welke bepalingen moet een kinderrechter toetsen? (Hoofdstuk 3) 3. Wat vormen voor de kinderrechter de gronden om een schriftelijke aanwijzing al dan niet vervallen te verklaren? (Hoofdstuk 4) 4. Hoe maakt de kinderrechter gebruik van de marginale en/of volle toetsing bij de al dan niet vervallenverklaring ex art. 1:259 BW? (Hoofdstuk 5) Tot slot zal getracht worden een antwoord te geven op de onderzoeksvraag en zullen er enkele aanbevelingen worden gedaan (Hoofdstuk 6). Centraal staat hierbij de vraag of de huidige toetsing van de kinderrechter overeenkomstig de vereisten van de Awb geschiedt (en het belang van de minderjarige) of dat er aanpassingen nodig zijn om deze toetsing te verbeteren. 1.4 De methoden van onderzoek Om mij een goed beeld te kunnen vormen van de vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing en zo te komen tot een goede uitwerking van de probleemstelling heb ik vanaf 4 februari 2011 stage gelopen bij de Rechtbank Breda. Tijdens deze stage heb ik de mogelijkheid gehad tot bestudering van verschillende zaken m.b.t. een vervallenverklaring. Ook was het voor mij mogelijk mee te lopen met zittingen over dit onderwerp. Mijn scriptie is dus voornamelijk gebaseerd op empirisch onderzoek. Het houden en verwerken van interviews en/of enquêtes is meer ter aanvulling gebruikt. Naast empirisch onderzoek wordt de basis van de scriptie ook gevormd door literatuurstudie en jurisprudentieonderzoek. Ook is er ter beantwoording van mijn onderzoeksvraag een interne rechtsvergelijking gemaakt naar het bestuursrecht. Daarbij zal worden onderzocht welke regels uit de Awb van overeenkomstige toepassing zijn voor het civiele jeugdrecht. Voor een beantwoording van de probleemstelling wordt verwezen naar hoofdstuk 6. 2 HOOFDSTUK 2 DE ONDERTOEZICHTSTELLING IN RELATIE TOT DE SCHRIFTELIJKE AANWIJZING 2.1 Inleiding In dit hoofdstuk zal de schriftelijke aanwijzing worden toegelicht. De aanwijzing wordt afgegeven bij een ondertoezichtstelling al dan niet in combinatie met een uithuisplaatsing. Allereerst zal ik de ontstaansgeschiedenis van de ondertoezichtstelling behandelen. De ontwikkeling hiervan zal ik vertalen naar het huidige wettelijke kader. De oplegging van de ondertoezichtstelling wordt verder uitgewerkt en ook de wetswijziging van 1995 en het wetsvoorstel Herziening van de kinderbeschermingsmaatregelen worden besproken. De taak van Bureau Jeugdzorg in relatie tot de gezinsvoogd wordt toegelicht. Vervolgens wordt nader ingegaan op de mogelijkheid van een ondertoezichtstelling al dan niet in combinatie met een uithuisplaatsing. Ook zal de schriftelijke aanwijzing vanuit de literatuur worden bekeken waarna een overstap zal worden gemaakt naar het dossieronderzoek. Aan het einde van het hoofdstuk zal een antwoord worden gegeven op de volgende vraag: Wat is een schriftelijke aanwijzing en komen de vereisten die de Awb stelt aan een aanwijzing van Bureau Jeugdzorg ook daadwerkelijk terug in de opgelegde schriftelijke aanwijzing? 2.2 De ondertoezichtstelling De ontstaansgeschiedenis Aan het einde van de negentiende eeuw was er sprake van zware kinderarbeid en verwaarlozing van kinderen in Nederland. Van Houten kwam als eerste initiatiefnemer hiertegen in opstand met zijn Kinderwetje in Met de komst van deze wet werd het voor de overheid mogelijk in te grijpen in een gezinssituatie met een slechte ontwikkeling van het kind. Wel overheerste nog de vaderlijke macht wat inhield dat de vader een absoluut recht had over het doen en laten van zijn kinderen. 5 Na de invoering van het Kinderwetje ontstond er een opmars om de ontwikkeling van het kind beter te gaan beschermen. Dit leidde tot de eerste kinderbeschermingsmaatregel in 1901 door de invoering van de drie Kinderwetten: één op civielrechtelijk gebied, één op strafrechtelijk gebied en een kinderbeginselenwet. 6 Met deze wetten kon de overheid op initiatief van particuliere instanties ingrijpen in het gezag van de ouders door middel van ontheffing of ontzetting van de ouders uit het gezag. Dat betekende dat het minderjarige kind uit het huis werd geplaatst en werd ondergebracht bij een instelling of 4 Bruning 2001, p Bruning 2001, p Bruning 2001, p. 1. 3 persoon voor de verzorging en opvoeding. De ontheffing en ontzetting werden als een erg ingrijpende maatregel beschouwd en daarom ging men op zoek naar een tussenliggende oplossing. Dit heeft geleid tot de invoering van de ondertoezichtstelling in Deze maatregel houdt in dat het gezag niet wordt ontnomen, maar wordt beperkt door het bieden van hulp aan de ouders in de verzorging en opvoeding van het kind De oplegging van de ondertoezichtstelling Op grond van art. 1:247 lid 1 BW dragen de ouders de primaire verantwoordelijkheid inzake de bescherming en verzorging van hun kind. Indien zij hier niet in redelijkheid toe in staat zijn, is de Staat op grond van art. 3 lid 2 IVRK verplicht deze verantwoordelijkheid van de ouders over te nemen en het kind van bescherming en zorg te verzekeren. Deze positieve verplichting kent een uitwerking in boek 1 BW. In titel 14 van boek 1 BW staat omschreven onder welke omstandigheden de overheid zijn plicht tot ingrijpen moet gebruiken en hiermee dus inbreuk mag maken op het ouderlijk gezag. De kinderrechter dient zich vervolgens te buigen over de soort kinderbeschermingsmaatregel die aan het kind moet worden opgelegd. 7 Op grond van art. 808 Rv dienen zaken betreffende minderjarigen die bij de rechtbank aanhangig worden gemaakt, uitgezonderd die welke het levensonderhoud van een minderjarige betreffen, worden behandeld door de kinderrechter. Omtrent een kinderbeschermingsmaatregel is het daarom ook de kinderrechter die een ondertoezichtstelling van de minderjarige kan opleggen als een minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. 8 Enkele voorbeelden waarom een ondertoezichtstelling aan een minderjarige kan worden opgelegd, zijn bijvoorbeeld incest/ontucht, schoolverzuim, verwaarlozing, mishandeling, psychologische problemen van ouders, pedagogische onmacht of probleemgedrag van het kind. 9 Art. 1:254 lid 1 BW geeft aan dat men eerst vrijwillige hulpverlening dient te verlenen aan de ouders en de minderjarige. Mocht dat niet werken, dan pas kan men om een ondertoezichtstelling verzoeken. Deze maatregel geldt namelijk als ultimum remedium, dat wil zeggen dat de ondertoezichtstelling pas wordt opgelegd als het kind niet op een minder ingrijpende wijze kan worden beschermd. 10 De grond voor de ondertoezichtstelling van art. 1:254 lid 1 BW is volop in ontwikkeling in het wetsvoorstel Herziening Kinderbeschermingsmaatregelen. 11 Het verzoek tot ondertoezichtstelling kan volgens art. 1:254 lid 4 BW worden gedaan door de ouder(s), een 7 Bruning 2001, p Zie art. 1:254 lid 1 BW. 9 Doek & Vlaardingerbroek 2009, p. 324; zie ook Vlaardingerbroek e.a. 2008, p Bruning 2001, p. 88; Groene Serie Personen- en familierecht, art. 254 Boek 1 BW, aant. 2g; Tekst en Commentaar Personen- en familierecht, art. 254 Boek 1 BW, aant Kamerstukken II 2008/03, ander die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt 12, de Raad voor de Kinderbescherming of het Openbaar Ministerie. Ongeveer 95 % van de ingediende verzoeken is afkomstig van de Raad voor de Kinderbescherming. 13 Zij heeft namelijk de bevoegdheid om onderzoek te doen naar de gezins- en opvoedingssituatie van de minderjarige. Als zij van mening is dat er wordt voldaan aan de voorwaarde gesteld in art. 1:254 lid 1 BW, kan zij een verzoek tot ondertoezichtstelling indienen bij de kinderrechter. De kinderrechter kan een ondertoezichtstelling voor maximaal één jaar opleggen 14. De ondertoezichtstelling kan worden verlengd op grond van art. 1:256 lid 2 BW. 2.3 De wetswijziging van 1995 inzake de ondertoezichtstelling Bij de totstandkoming van de ondertoezichtstelling in 1922 had de kinderrechter nog enkele dubbelfuncties; hij moest niet alleen de ondertoezichtstelling opleggen bij de aanwezigheid van de wettelijke grond voor de maatregel. Ook was hij belast met de leiding over het toezicht dat door de gezinsvoogd werd uitgeoefend over het minderjarige kind en had hij de taak recht te spreken in geschillen tussen ouders enerzijds en de gezinsvoogd die aan de ouders aanwijzingen kon geven over de opvoeding en verzorging van de minderjarige anderzijds. 15 Op deze dubbelfunctie is in de loop der tijd veelvuldig kritiek geleverd. De Commissie Wiarda zag aanleiding om hiertegen op te treden. Zij heeft in het rapport Jeugdbeschermingsrecht gepleit voor een scheiding van de taken, namelijk om de wettelijke taken van de kinderrechter te beperken tot rechtsprekende taken met betrekking tot de ondertoezichtstelling en de uitvoering van deze kinderbeschermingsmaatregel op te dragen aan de gezinsvoogdij-instelling 16, tegenwoordig de Stichting als bedoeld in art. 1, onder f, van de Wet op de Jeugdzorg. Dit rapport is meegenomen in het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wetswijziging in Dit rapport heeft onder andere geleid tot de wetswijziging van 1 november Hierin hebben voornamelijk wijzigingen plaatsgevonden met betrekking tot de bevoegdheden van Bureau Jeugdzorg en de kinderrechter. Vanaf dat moment houdt de kinderrechter zich bezig met het al dan niet uitspreken van een ondertoezichtstelling. 17 Bureau Jeugdzorg wordt bij het uitspreken van een onder
Similar documents
View more...
Search Related
We Need Your Support
Thank you for visiting our website and your interest in our free products and services. We are nonprofit website to share and download documents. To the running of this website, we need your help to support us.

Thanks to everyone for your continued support.

No, Thanks