Please download to get full document.

View again

of 70
All materials on our website are shared by users. If you have any questions about copyright issues, please report us to resolve them. We are always happy to assist you.

De invoering van een boedelvrijstelling in de Successiewet 1956:

Category:

Recruiting & HR

Publish on:

Views: 14 | Pages: 70

Extension: PDF | Download: 0

Share
Related documents
Description
De invoering van een boedelvrijstelling in de Successiewet 1956: In strijd met het gelijkheidsbeginsel? door M.C.M. Kuiten onder begeleiding van dr. M.J. Hoogeveen Universiteit van Tilburg Faculteit Rechtsgeleerdheid
Transcript
De invoering van een boedelvrijstelling in de Successiewet 1956: In strijd met het gelijkheidsbeginsel? door M.C.M. Kuiten onder begeleiding van dr. M.J. Hoogeveen Universiteit van Tilburg Faculteit Rechtsgeleerdheid Master Fiscaal Recht Student: Studentnummer: Marlou Kuiten s Afstudeerdatum: 22 december 2011 Examencommissie: dr. M.J.Hoogeveen Prof. mr. I.J.F.A. van Vijfeijken Inhoudsopgave Inhoudsopgave Lijst van gebruikte afkortingen 5 Voorwoord 6 1. Inleiding Aanleiding Probleemstelling Verantwoording van de opzet De bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in de Successiewet Inleiding De invoering van de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten Uitstel van betaling in bijzondere gevallen Betaling in vijf jaarlijkse termijnen De renteloze betalingsregeling Verruiming betalingstermijn De kwijtscheldingsregeling Verhoging vrijstellingspercentage De bedrijfsopvolgingsfaciliteit anno Vrijstelling voor het verschil tussen de liquidatiewaarde en de lagere waarde going concern Successiewet: een verkrijgersbelasting of een boedelbelasting? Ongelijkheid tussen de erfgenamen Conclusie Het gelijkheidsbeginsel Inleiding Het gelijkheidsbeginsel Het gelijkheidsbeginsel in de grondwet 33 3 Inhoudsopgave Het gelijkheidsbeginsel in internationale verdragen en in het 35 Europese recht 3.3 Toetsing aan art. 26 IVBPR en art. 14 EVRM Vergelijkbaarheidstoets Gelijke gevallen in het IVBPR en het EVRM Ongelijke gevallen in het IVBPR en het EVRM Rechtvaardigingstoets Legitieme doelstelling Proportionaliteitseis Beoordelingsruimte van de wetgever Conclusie Toetsing van de boedelvrijstelling aan het gelijkheidsbeginsel Inleiding Vergelijkbaarheidstoets Gelijke gevallen bezien vanuit de SW Rechtvaardigingstoets Legitieme doelstelling Proportionaliteitseis Conclusie Conclusie Inleiding Bevindingen Conclusie 63 Literatuurlijst 64 Jurisprudentieregister 70 4 Lijst van gebruikte afkortingen Lijst van gebruikte afkortingen Art. Artikel BNB Beslissingen in belastingzaken Nederlandse Belastingrechtspraak BOF Bedrijfsopvolgingsfaciliteit BV Besloten Vennootschap e.v. En verder EHRM Europees Hof voor de Rechten van de Mens EVRM Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens HR Hoge Raad der Nederlanden IVBPR Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten IW 1990 Invorderingswet 1990 MBB Maandblad Belasting Beschouwingen NJ Nederlandse Jurisprudentie NTFR Nederlands Tijdschrift voor Fiscale Rechtspraak r.o. Rechtsoverweging Staatssecretaris Staatssecretaris van Financiën SW 1956 Successiewet 1956 TFO Tijdschrift voor Fiscaal Ondernemingsrecht VWEU Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie WFR Weekblad Fiscaal Recht WPNR Weeklad voor Privaatrecht, Notariaat en Registratie 5 Voorwoord Voorwoord Als afsluiting van mijn studie Fiscaal Recht aan de Universiteit van Tilburg heb ik deze masterscriptie geschreven. Ik kijk zeer positief terug op de tijd die ik heb besteed aan het schrijven van deze scriptie. Tijdens het schrijven van deze scriptie ben ik begeleid door mw. dr. M.J. Hoogeveen. Ik wil haar dan ook hartelijk bedanken voor de adviezen en kritiek die uiteindelijk hebben geleid tot deze scriptie. De keuze voor het onderwerp is in overleg met mw. dr. M.J. Hoogeveen tot stand gekomen. Ik heb het als een uitdaging ervaren om onderzoek te doen naar de mogelijke invoering van een boedelvrijstelling. Nu het geheel is afgerond, kan ik dan ook volmondig zeggen dat mijn kennis omtrent dit onderwerp is uitgebreid. Als laatste wil ik graag mijn familie,vrienden en collega s bedanken voor de input die zij geleverd hebben bij het schrijven van deze scriptie. Marlou Kuiten Eindhoven, december Inleiding 1. Inleiding 1.1 Aanleiding Ondernemers kunnen ooit te maken krijgen met bedrijfsoverdracht. Dit kan zijn bij leven of bij overlijden. In geval van een schenking van de onderneming, komt de verkrijger in aanraking met de heffing van schenkbelasting en in geval van overlijden is sprake van de heffing van erfbelasting. Voor de heffing van schenk- en erfbelasting bij een bedrijfsoverdracht heeft de wetgever faciliteiten in het leven geroepen, om te zorgen dat de continuïteit van het bedrijf niet in gevaar komt. 1 In de SW 1956 zijn daarvoor vrijstellingen opgenomen. 2 Deze bedrijfsopvolgingsfaciliteiten staan ook wel bekend als de BOF. Deze vrijstellingen gelden alleen voor diegene(n) die de onderneming daadwerkelijk voortzet(ten). Indien sprake is van meerdere erfgenamen waarvan er maar één de onderneming voortzet, geldt voor de overige erfgenamen geen vrijstelling. Voor de overige erfgenamen is in de IW 1990 een betalingsfaciliteit opgenomen, voor zover zij een vordering verkrijgen op de voortzetter. Deze faciliteit zorgt voor uitstel van betaling voor de verschuldigde erf- of schenkbelasting gedurende tien jaar. 3 De werkgroep Moltmaker heeft in het rapport De warme, de koude en de dode hand het voorstel gedaan om de vrijstellingen te laten gelden voor zowel de voortzetter van de onderneming als voor de overige erfgenamen. 4 Het kabinet heeft dit voorstel afgewezen met als reden dat er een rechtvaardiging bestaat voor het ongelijk behandelen van voornoemde erfgenamen. De ene erfgenaam zet de onderneming voort en de andere niet. Ook meent het kabinet dat een nieuwe ongelijkheid zou ontstaan 1 Kamerstukken II 2008/09, , nr. 3, p Art. 35b e.v. SW 1956 jo. art. 25 lid 12 IW Art. 25 lid 13 IW De warme, de koude en de dode hand, het rapport van de werkgroep modernisering successiewetgeving van 13 maart 2000, paragraaf Inleiding indien het voorstel wordt aangenomen, namelijk tussen de niet-voortzetter en verkrijgers die helemaal geen vermogen krijgen dat is gerelateerd aan ondernemingsvermogen. 5 De wetgever heeft er dus bewust voor gekozen om voor de niet-voortzettende erfgenamen alleen een betalingsfaciliteit in het leven te roepen. 6 Het oorspronkelijke doel van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit was immers de continuïteit van het bedrijf te waarborgen. Vanuit dat oogpunt is het volgens de wetgever niet noodzakelijk om de niet-voortzettende erfgenamen ook een vrijstelling te geven. Daarnaast zou een boedelfaciliteit er ook toe kunnen leiden dat de bedrijfsopvolger slechter af is dan bij toepassing van de huidige bedrijfsopvolgingsfaciliteit. De bedrijfsopvolger moet immers dan de faciliteit delen met zijn mede-erfgenamen. 7 De wetgever heeft dan ook, mede door voorgaande redenen, de invoering van een boedelfaciliteit afgewezen. Echter, zowel vanuit de politiek alsmede de literatuur, is hier meerdere malen kritiek op geuit. 89 De staatssecretaris heeft naar aanleiding van een motie, ingediend tijdens de parlementaire behandeling van de herziening van de bedrijfsopvolgingsregeling, meerdere argumenten gegeven waarom er volgens hem geen aanleiding toe bestaat om een boedelfaciliteit in te voeren: 10 De eerste reden is dat een boedelfaciliteit zich niet verhoudt met een verkrijgersbelasting zoals de schenk- en erfbelasting nu eenmaal is. Ten tweede drukt op de opvolger ter zake van de verkrijging van het ondernemingsvermogen alleen de erfbelasting die hij zelf verschuldigd is. Hierdoor is geen nadere voorziening voor het voortbestaan van de onderneming nodig, dan voor de door hem verschuldigde erfbelasting. ( )Ten derde wordt bij een boedelfaciliteit een vrijstelling gegeven aan verkrijgers die geen opvolgers zijn. Hierdoor komt de 5 Kamerstukken II 2000/01, , nr. 1, p Kamerstukken II 2001/02, , nr. 6, p Kamerstukken II 2001/02, , nr. 6, p Kamerstukken II 2009/10, , nr. 71, p Zie o.a. I.J.F.A. van Vijfeijken, De voorgestelde wijzigingen van de Successiewet 1956, WFR 2001/1381, paragraaf Kamerstukken II 2009/10, , nr. 81, p Inleiding mogelijke strijd met het gelijkheidsbeginsel tussen andere verkrijgers van nietondernemingsvermogen meer naar voren. De staatssecretaris heeft echter wel aangegeven onderzoek te gaan verrichten naar de invoering van een boedelfaciliteit. 11 De invoering van een zuivere boedelfaciliteit betekent dat voor alle erfgenamen een (gedeeltelijke) vrijstelling geldt over het vermogen dat wordt verkregen. Het uitgangspunt voor belastingheffing is het totale vermogen dat de erflater achter laat (de boedel) en niet hetgeen een individuele erfgenaam verkrijgt. Het onderscheid dat bij de huidige faciliteit gemaakt wordt tussen de verkrijgers binnen een nalatenschap, zorgt voor een verschil in de omvang van ieders netto verkrijging. Door een overbedelingsschuld aan een erfgenaam kan verder ook een deel van de vrijstellingen verloren gaan. De verkrijging van de voortzetter kan door de overbedelingssschuld te klein worden om de gehele faciliteit te benutten Probleemstelling In deze scriptie onderzoek ik of de invoering van een boedelvrijstelling in de SW 1956 mogelijk zou leiden tot strijd met het gelijkheidsbeginsel. De probleemstelling die centraal staat in deze scriptie luidt als volgt: Leidt de invoering van een boedelvrijstelling voor ondernemingsvermogen in de Successiewet 1956 tot strijd met het gelijkheidsbeginsel? Deze vraag tracht ik met behulp van de volgende deelvragen te beantwoorden: - Kunnen de niet-voortzetter en verkrijgers die helemaal geen vermogen krijgen dat is gerelateerd aan ondernemingsvermogen, gezien worden als gelijke gevallen? 11 Kamerstukken II 2009/10, , nr. 81, p Kamerstukken II 2009/10, , nr. 81, p. 6. 9 Inleiding - Zo ja, bestaat er voor deze ongelijke behandeling van gelijke gevallen een objectieve en redelijke rechtvaardiging? - Past een boedelvrijstelling wel binnen de systematiek van de Successiewet 1956? Hierna zal een korte beschrijving volgen van de opzet van de volgende hoofdstukken, waarmee ik tracht tot een goede beantwoording van de probleemstelling te komen. 1.3 Verantwoording van de opzet In hoofdstuk twee wordt de geschiedenis van de totstandkoming van de faciliteit behandeld zoals die heden ten dage in de wet is neergelegd. Ook schets ik in dit hoofdstuk de ongelijkheid tussen de verschillende verkrijgers, die ontstaat bij toepassing van de huidige bedrijfsopvolgingsfaciliteit. Als laatste besteed ik in dit hoofdstuk aandacht aan de vraag of een boedelvrijstelling past binnen het karakter van de schenk -en erfbelasting als een verkrijgersbelasting. In hoofdstuk drie beschrijf ik het gelijkheidsbeginsel. Daarna zullen de toetsingscriteria van het gelijkheidsbeginsel nader worden uitgewerkt. Deze toetsingscriteria zijn nodig om in het vierde hoofdstuk te toetsen of de boedelfaciliteit mogelijk in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Met behulp van de voorgaande informatie komt in hoofdstuk vijf mijn conclusie aan bod en wordt een antwoord gegeven op de hiervoor genoemde probleemstelling. 10 De bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in de Successiewet De bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in de Successiewet Inleiding In dit hoofdstuk komt in paragraaf 2.2 de ratio van de bedrijfopvolgingsfaciliteiten aan bod. Deze ratio probeer ik te achterhalen door de parlementaire geschiedenis van de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten te onderzoeken. Om een antwoord te kunnen geven op de vraag of een boedelvrijstelling past binnen het karakter van de SW 1956, onderzoek ik in paragraaf 2.3 of de SW 1956 de kenmerken heeft van een verkrijgersbelasting of van een boedelbelasting. Daarna behandel ik in paragraaf 2.4 welke ongelijkheid kan ontstaan tussen erfgenamen bij toepassing van de huidige bedrijfsopvolgingsfaciliteit. Ik sluit dit hoofdstuk af met een conclusie. 2.2 De invoering van de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten Uitstel van betaling in bijzondere gevallen Bij de oorspronkelijke invoering van de SW 1956 was in artikel 65 lid 1 (oud) een regeling voor uitstel van betaling van het verschuldigde successie-en schenkingsrecht in de wet opgenomen. Deze bepaling was ontleend aan artikel 83 van de SW Dit uitstel mocht door de ontvanger slechts verleend worden, indien er een rechtvaardiging voor bestond. Er diende alleen met bijzondere aandacht bekeken te worden of er gronden aanwezig waren voor het verlenen van uitstel van betaling. 13 ( ) ingeval een ter zake ingediend verzoek zijn grond vindt in (niet langs andere weg op te vangen) liquiditeitsmoeilijkheden van het bedrijf dat vererfd is en ingeval de bijzondere aard van het vererfde vermogen daartoe aanleiding geeft ( ) Betaling in vijf jaarlijkse termijnen In 1979 waren de eerste negatieve geluiden over artikel 65 SW 1956 te horen. De van de Leidraad Successiewet De bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in de Successiewet 1956 kritiek was terug te vinden in het commentaar van de Raad voor het Midden- en Kleinbedrijf op het wetsvoorstel ter wijziging van de SW De raad stelde dat bij vererving van kleine en middelgrote ondernemingen het vaak niet mogelijk was om zonder problemen, binnen de betalingstermijn, vermogen vrij te maken om de erfbelasting te voldoen. 14 De leden van de CDA-fractie vreesden ook voor problemen bij vererving van ondernemingen inzake de heffing van successierechten, met name in het midden- en kleinbedrijf. Zij gaven te kennen dat deze problemen niet met een betalingsregeling opgelost konden worden. 15 De wetgever gaf echter te kennen dat hij deze problemen in de praktijk niet zag: 16 Wij willen er in de eerste plaats op wijzen, dat de Raad voor het Midden- en Kleinbedrijf in zijn rapport de vrees uitspreekt dat door de voorgestelde wijzigingen de continuïteit van de vererfde ondernemingen in gevaar komt. De raad grondt deze vrees op de bewering dat ook onder de huidige wet met een lager tarief ondernemers in dezelfde moeilijkheden zouden kunnen komen. Deze bewering wordt echter met geen enkel gegeven onderbouwd. Zoals wij in de memorie van antwoord op blz. 28 gesteld hebben, doen zich in de praktijk nagenoeg geen problemen voor, omdat de mogelijkheid van een betalingsregeling op grond van artikel 65 van de Successiewet 1956 soelaas biedt. De in die memorie vermelde leidraadbepaling houdt naar onze mening voldoende waarborgen in voor de belangen van de hier bedoelde ondernemers. Ondanks dat de wetgever te kennen gaf dat de (eenmalige) betalingsregeling van artikel 65 SW 1956 (oud) soelaas bood, werd alsnog de betalingsregeling uitgebreid. Na inwerkingtreding van het amendement werd het mogelijk om de belastingschuld in 14 Kamerstukken II 1979/80, , nr. 9, p Kamerstukken II 1979/80, , nr. 6, p Kamerstukken II 1979/80, , nr. 10, p De bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in de Successiewet 1956 vijf jaarlijkse termijnen te voldoen. 17 In deze wettelijke bepaling kwam voor het eerst het argument om de continuïteit van de onderneming te waarborgen, naar voren De renteloze betalingsregeling De renteloze betalingsregeling betrof een faciliteit voor het verschuldigde successie- of schenkingsrecht over het verkregen ondernemingsvermogen. Deze regeling werd ingevoerd in 1984 naar aanleiding van een brief van de ministers van Financiën en Economische Zaken aan de Tweede Kamer, waarin zij aangaven dat in het kader van de fiscale lastenverlichting voor het midden- en kleinbedrijf een renteloze betalingsregeling zou worden ingevoerd. 18 Met ingang van 1 januari 1985 (met terugwerkende kracht tot 1 januari 1984) werd de renteloze betalingsregeling neergelegd in artikel 59a SW Artikel 59a lid 1 SW 1956 luidde als volgt: In afwijking van artikel 59 zijn, ( ) de belastingaanslagen, welke worden opgelegd voor de rechten van successie en van schenking wegens verkrijgingen welke geheel of gedeeltelijk bestaan uit ondernemingsvermogen, invorderbaar in vijf gelijke jaarlijkse termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt een jaar na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een jaar later. Het hiervoor bepaalde vindt alleen toepassing indien en voor zover de waarde van dat deel van de verkrijging dat niet tot het ondernemingsvermogen behoort, wordt overschreden door het bedrag van de verschuldigde belasting, mits deze overschrijding meer dan NLG 5000 bedraagt. Het successierecht dat de erfgenamen verschuldigd waren door overlijden van de ondernemer, kon mogelijk leiden tot liquiditeitsproblemen bij de onderneming. De staatssecretaris van Financiën heeft over de invoering van de renteloze betalingsregeling het volgende gezegd: Kamerstukken II 1979/80, , nr Kamerstukken II 1982/83, , nr. 17, p Kamerstukken II 1983/84, , nr. 3, p De bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in de Successiewet 1956 De voorgestelde regeling heeft met name tot doel een knelpunt weg te nemen dat zich voordoet bij bedrijfsopvolging ten gevolge van het overlijden van een ondernemer. Bij diens overlijden zijn de erfgenamen of legatarissen successierecht verschuldigd over hun verkrijging. Deze belasting dient op grond van art 59 van de Successiewet 1956 uiterlijk te worden betaald, een maand na het opleggen van de aanslag. Door de betaling van deze belasting kan een liquiditeitsprobleem ontstaan indien de verkrijgers voornemens zijn om de onderneming voort te zetten. Zulk een liquiditeitsprobleem vormt een gevaar voor de continuïteit van de onderneming. Door de invoering van een betalingsregeling, op grond waarvan het successierecht gefaseerd over een periode van 5 jaar mag worden voldaan, zonder dat gedurende deze periode rente is verschuldigd, wordt aan dit liquiditeitsprobleem tegemoet gekomen, zodat de continuïteit van de onderneming bij het overlijden van een ondernemer beter is gewaarborgd. De staatssecretaris geeft in dit citaat aan dat hij een liquiditeitsprobleem voorziet bij de verkrijger die voortzetter is van de onderneming. Hoe dit liquiditeitsprobleem ontstaat, wordt echter niet weergegeven. Ik veronderstel dat dit komt doordat het vermogen vast zit in de onderneming en daardoor niet op korte termijn liquide is te maken. Om de belasting over de verkregen onderneming te kunnen voldoen, zal de erfgenaam moeten putten uit de reserves van de onderneming, waardoor de continuïteit van de onderneming in gevaar kan komen. Om dit te voorkomen, is de betalingsregeling in het leven geroepen. Doordat de belastingschuld in vijf jaarlijkse termijnen kon worden voldaan, hoeven er niet direct liquiditeiten uit de onderneming te worden onttrokken. Het is echter opmerkelijk dat de staatssecretaris een liquiditeitsprobleem voorziet, aangezien hij eerder te kennen had gegeven dat dit probleem zich juist zelden voordeed in de praktijk. 20 Van Vijfeijken deelt deze mening: Kamerstukken II 1979/80, , nr. 7, p I.J.F.A. van Vijfeijken, De bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in het licht van het gelijkheidsbeginsel, in: J.L.M. Gribnau (red.), Principieel belastingrecht: Liber Amicorum Richard Happé, Nijmegen: wolf Legal Publishers 2011, p De bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in de Successiewet 1956 Vijf jaar daarvoor achtte de staatssecretaris het niet nodig om een wettelijke regeling voor een betaling in jaarlijkse termijnen op te nemen, omdat niet van enig probleem was gebleken. Nu, vier jaar later, is er blijkbaar toch een liquiditeitsprobleem. De renteloze betalingsregeling is per 1 juni 1990 vervallen in de SW 1956 en is onderdeel gaan uitmaken van de IW Een inhoudelijke wijziging is daarmee niet beoogd Verruiming betalingstermijn Per 1 januari 1996 is de termijn voor uitstel van betaling verruimd van vijf naar tien jaar. 22 De termijn van vijf jaar werd als te kort ervaren voor het wegnemen van de liquiditeitsproblemen: 23 Het doel van de regeling is het voorkomen van liquiditeitsproblemen welke zouden kunnen ontstaan indien de belasting in haar geheel zou moeten worden voldaan binnen de gebruikelijke termijn van twee maanden na dagtekening van de aanslag. Van deze regeling wordt tot nu toe betrekkelijk weinig gebruik gemaakt. Het gaat daarbij om enkele tientallen gevallen per jaar. Door het georganiseerde bedrijfsleven is aangedrongen op verlenging van deze termijn omdat uitstel voor een periode van vijf jaar te kort is om een substantiële bijdrage te leveren aan het wegnemen van de genoemde liquiditeitsproblemen. Bij het bepalen van de lengte van de uitstelperiode is indertijd overwogen dat de termijn enerzijds op uitvoeringstechnische gronden niet te lang mag zijn en anderzijds met het oog op het doel v
Similar documents
View more...
Search Related
We Need Your Support
Thank you for visiting our website and your interest in our free products and services. We are nonprofit website to share and download documents. To the running of this website, we need your help to support us.

Thanks to everyone for your continued support.

No, Thanks