Please download to get full document.

View again

of 9
All materials on our website are shared by users. If you have any questions about copyright issues, please report us to resolve them. We are always happy to assist you.

Een preek van J.C. Philpot: Het bittere water zoet

Category:

Philosophy

Publish on:

Views: 16 | Pages: 9

Extension: PDF | Download: 0

Share
Related documents
Description
Een preek van J.C. Philpot: Het bittere water zoet uitgesproken in de Voorzienigheidskapel, Eden Street, Londen, op zondagmorgen 28 juli 1850 overgenomen uit Tien predikaties, deel 4 Toen kwamen zij te
Transcript
Een preek van J.C. Philpot: Het bittere water zoet uitgesproken in de Voorzienigheidskapel, Eden Street, Londen, op zondagmorgen 28 juli 1850 overgenomen uit Tien predikaties, deel 4 Toen kwamen zij te Mara; doch zij konden het water van Mara niet drinken; want het was bitter; daarom werd derzelver naam genoemd Mara. Toen murmureerde het volk tegen Mozes, zeggende; Wat zullen wij drinken? Hij dan riep tot den HEERE, en de HEERE wees hem een hout; dat wierp hij in dat water; toen werd het water zoet. Exodus 15:23-25a De kinderen Israëls naar het vlees waren een zinnebeeldig volk; en daarom waren de leidingen Gods met hen een zinnebeeld, en uitbeelding Zijner leidingen met het geestelijke Israël. Wanneer we dit verstaan, en de Schriften van het Oude Testament met een verlicht oog lezen, welk een schoonheid zet dit bij aan de gewijde bladen! Wij lezen deze getuigenissen dus niet als zovele geschiedkundige stukken, maar als beschrijvende de kinderen Gods, en Zijn barmhartigheid, liefde, en genade jegens hen. En op deze wijze wordt hun bevinding aan ons eigen hart en aan onze eigen boezem medegedeeld. Wij kunnen hierin onze eigen kenmerken opmerken, en wij kunnen in de leidingen Gods met hen lezen, de leidingen, welke God thans met onze ziel houdt. Om dit te bewijzen is het niet nodig, dat ik de geschiedenis van de kinderen Israëls doorloop. Iedere stap, welke zij deden, is in meerdere of in mindere mate, een bewijs, dat de Heere hen in uitwendige zin leidde, zoals Hij in inwendige zin Zijn geestelijk Israël leidt. Bij voorbeeld stelde hun staat in Egypte symbolisch de dood en de duisternis voor van het volk van God, alvorens ze zijn levendgemaakt door de gezegende Geest. Het paaslam, waarvan zij aten, en het bloed, dat gesprengd werd op de bovendorpel en de zijposten, verkondigde de verlossing door Christus, en de toepassing van Zijn dierbaar bloed aan de consciëntie. Het doorgaan door de Rode Zee duidt op de doop, waarmede zij gedoopt worden, wanneer de liefde Gods wordt uitgestort in hun hart door de Heilige Geest; en hun aanschouwen van hun vijanden, welke daar dood liggen aan de oevers van de zee, duidt op de blijdschap van een kind van God, wanneer hij zijn zonden weggeworpen vindt in de zee, en tot dode lichamen tenietgedaan door de almachtige kracht van Christus. Maar nu komen we tot een vreemde plaats in hun geschiedenis. Zij verwachtten nauwelijks, zoals wij nauwelijks zouden verwachten, dat er meteen na deze verbazingwekkende verlossing zulk een zware beproeving zou volgen. En wat was deze beproeving? Zij gingen drie dagen in de woestijn, en vonden geen water. In dit vochtige klimaat kunnen wij ons nauwelijks voorstellen wat een ontbering dit moet zijn geweest. Doch wij zouden zelfs in dit vochtige klimaat en in dit natte jaargetijde, niet gaarne drie dagen zonder water zijn. Geen water om te drinken, geen water om mede te wassen! Maar beschouw deze uitgebreide menigte eens, welke twee miljoen mensen omvat, die omzwerven in een dorre woestijn met een verzengende zon boven hen, en gloeiend zand onder hun voeten; mannen, vrouwen, kinderen, vee, smachtende en allen bijkans stervende van dorst! En wel drie dagen lang! Men kan zich nauwelijks voorstellen welk een ontbering, welk een toneel van afgrijzen dit moet zijn geweest. Doch na verloop van drie dagen wordt er water ontdekt. Zij vangen een glimp op van palmbomen in de woestijn, en mogelijk zien zij aan de voet ervan een stroom schemeren. U kunt zich wel voorstellen welk een blijdschap het kamp vervulde. Wij kunnen ons goed voorstellen welk een algemeen vreugde-gejuich er zou zijn. Wat een haasten om wat te gebruiken van het water, dat voor hun oog in de verte glinsterde! Maar helaas! Toen zij daar aankwamen, wachtte hen wederom een teleurstelling. Toen kwamen zij te Mara; doch zij konden het water van Mara niet drinken. Hoewel zij drie dagen lang zonder water waren geweest, en stervende waren van de dorst, toen zij evenwel aan dit water kwamen, was dit zo bitter en bedorven, dat zij het volstrekt niet konden drinken! Wat een slag! Wat een slag op slag! Dit was inderdaad de stervende de genadeslag geven. Dit was inderdaad droefenis tot hun smart doen, en het ene verderf op het andere stapelen. Wel wat deden zij? Wat u en ik ongetwijfeld zouden hebben gedaan. Zij murmureerden, en kwamen in opstand, en verzetten zich luide tegen Mozes, dat hij hen uit Egypte had geleid, met zijn prachtige Nijl, en dat hij hen in deze woestijn geleid had, waar zij drie dagen lang geen water hadden gehad; en toen zij bij water aanlandden, was dit zo bitter, dat zij dit niet konden drinken. 1 En wat deed Mozes? Deed hij met hen mee? Moedigde hij hun murmureren aan, of nam hij deel aan hun opstand? Neen; hij deed wat hij altijd deed, en wat ieder kind van God vroeg of laat moet doen; hij riep tot den HEERE. En riep hij tevergeefs? Was de HEERE een God van verre, en niet van nabij? Was Zijn hand verkort, dat zij niet zou kunnen verlossen, of Zijn oor zwaar geworden, dat het niet zou kunnen horen? Neen. Dezelfde almachtige arm, die hen door de Rode Zee geleid had, vond een weg ter ontkoming. De HEERE wees hem een hout; dat wierp hij in dat water; toen werd het water zoet. Welnu, op dit fundament zal ik, met Gods zegen, trachten een geestelijk bouwsel op te trekken. Vier zaken komen mij voor de geest, welke naar het schijnt, verbonden zijn met en voortvloeien uit onze tekst; I. Het bittere water van Mara. II. Het murmureren van het volk. III. Het roepen van Mozes. IV. Het gezond maken van het water. Moge de Heere me vanmorgen in staat stellen op zulk een wijze te spreken, dat Hij zal nederdalen om onze ziel te zegenen. I. Het beschouwen van dit water van Mara, dunkt mij, dat wij dienaangaande twee zaken in overweging moeten nemen; ten eerste-, wat dit water in geestelijke en zinnebeeldige zin voorstelde? Ten tweede; wat te kennen wordt gegeven door de bitterheid van dit water? Onder dit water kunnen wij niet verstaan het water des levens. Er is niets in het water van Mara, dat overeenstemt met de stromen, welke vloeiden uit de rots, toen deze geslagen werd met de staf van Mozes; want die wateren waren en moeten noodwendig altijd zoet zijn. Noch gelijken zij op de wateren, aanschouwd door de profeet Ezechiël, welke uit de tempel stroomden, en die, wanneer ze in de Zoutzee kwamen deze gezond maakten. (Ezech. 47:1 9). Dit water kan dus niet het water des levens zijn; de stroom, welke vloeit uit de bloedende zijde van de Verlosser. Wat is het dan? Wel, naar mijn mening lijkt dit te wijzen op zaken, welke op zichzelf genomen volkomen geschikt en gepast zijn voor onze natuurlijke gestalte, en toch van een bitter karakter zijn vanwege de zonde; omdat ik onder de bitterheid van het water voornamelijk de zonde versta, en als het noodzakelijke gevolg en de nimmer-ontbrekende metgezel ervan, de smart. Toen God de wereld schiep verklaarde Hij, dat het zeer goed was; toen waren de wateren zoet. De mens in zijn oorspronkelijke onschuld was een gepast voorwerp voor de wereld in zijn oorspronkelijke reinheid; maar de zonde is in de wereld gekomen, en door de zonde de dood. De satan werd toegestaan bitterheid in deze wateren te werpen; en sedertdien hebben zonde en smart, alle omstandigheden, toestanden en voorwaarden, kortom al hetgeen anders zoet zou zijn geweest, bitter gemaakt en geschikt doen zijn voor de huidige staat van ons bestaan. Laat ik dit met een paar bijzonderheden toelichten, en aantonen hoe de zonde en het gevolg ervan, namelijk de smart, al de stromen, welke anders zoet en onschadelijk, gezond en zuiver zouden zijn geweest, hebben bitter gemaakt. a. Let in de eerste plaats op de wereld in het algemeen. Het is een schone wereld, zelfs nu deze verdorven is. Er ligt een natuurlijke schoonheid in, ofschoon deze door de val verstoord is. Nochtans, ofschoon in uiterlijk opzicht liefelijk, heeft de zonde alles verdorven. Wij zouden, al reizende, een prachtig uitzicht kunnen waarnemen; bij voorbeeld een dorp, dat in een vallei genesteld ligt, in een zekere schilderachtige bergstreek in Zwitserland, of aan een meer in het noorden van Engeland, en zeggen; wat is het hier schoon; en bij die schoonheid moet er ook geluk en onschuld zijn. Maar wanneer wij zouden doordringen tot beneden het oppervlak van deze uitwendige schoonheid, wat zouden wij dan anders waarnemen dan zonde? Dat dit schone dorp waarschijnlijk niets anders is als een hol van dronkenschap en losbandigheid. Op deze wijze zijn deze wateren, welke van nature gepast waren voor het menselijk geslacht, geschikt gemaakt voor de mens, en de mens voor deze wateren, alles verontreinigd, bezoedeld, en bitter gemaakt door de zonde, welke erin geworpen is. Aldus ervaren wij, dat waar wij ook gaan, de zonde alles bitter doet zijn. Er is niet één land, niet één stad, niet één dorp, niet één gezin, niet één boezem, waarin de zonde niet heerst, en welke de zonde niet heeft bitter gemaakt; bitter gemaakt door deze te onttrekken aan de Bron van alle ware, wezenlijke gelukzaligheid. 2 b. Voorts is daar uw wettige beroeping in het leven; uw werk, uw winkel, kantoor, boerderij; het beroep, dat God voor u bepaald heeft om er uw dagelijks brood mee te verdienen. Dit zijn stromen water, die noodzakelijk zijn tot uw feitelijk bestaan. U kunt zonder deze wateren evenmin leven, alsdat u zoudt kunnen bestaan, zonder het brood en water, dat vergaat. En nochtans doet de zonde en de smart alles bitter zijn; teleurstelling, kwelling, en verzoeking vloeien voort uit en vermengen zich met al hetgeen, waaraan u de hand legt. Zodat wanneer u uw dorst zoudt willen lessen aan deze stromen, dit wateren van Mara zijn, welke u niet kunt drinken. Wanneer niet werkelijk de zonde ermede gepaard gaat, dan zal de teleurstelling dit doen. Ik kan niet geloven, dat u uw wettige beroeping kunt waarnemen, zonder dat de zonde ermede vermengd is. Ik bedoel geen openlijke, erkende zonde. Maar de zonde zal tussenbeide komen, zich opdringen, binnensluipen en zal werkzaam zijn. U kunt nauwelijks uw wettige beroeping waarnemen, zonder op de een of andere wijze deel te hebben aan het kwaad, dat ermede vermengd is. En wanneer dit niet de zonde is, dan zal er toch de smart en de teleurstelling zijn. Wanneer er niets in uw consciëntie is, dat tegen u getuigt in de uitoefening van uw dagelijkse bezigheden en zaken, dan zullen er nochtans verliezen, kruizen, twijfelachtige vorderingen, teleurstellingen, en kwellingen van een andere aard zijn. Wanneer u zodoende een zoete en heerlijke teug zoudt willen nemen van de beroepsbezigheden, dan wordt de beker door de bitterheid ervan van de mond geslagen. c. Let voorts op de maatschappelijke levensbetrekkingen. Deze zijn allen bitter gemaakt. Laten wij ons eens enkele ogenblikken een jong paar in gedachten nemen. Wat ziet hun leven er rooskleurig uit! Wat zullen zij gelukkig worden, en zij zullen nooit dromen van smart en ellende! Het is alles heldere zonneschijn. Laten ze enkele jaren verder zijn; laten ze kinderen krijgen; laten ze op middelbare leeftijd komen, en laat de zorgen van een huisgezin over hun hoofd gaan; en laten zij dan onderzoeken of de droombeelden uit hun jonge jaren tot werkelijkheid zijn geworden; of alles rooskleurig is geweest, of er geen donkere wolken over die huiselijke taferelen zijn gedreven, waaruit zij eens zoveel geluk dachten te drinken. Hoe vaak groeien de kinderen op tot teleurstelling en ellende van hun ouders! Vrouwen en mannen betonen elkaar tot een plaag in plaats van elkaar tot een bron van geluk en troost te zijn. Vrienden, die eenmaal zo oprecht leken te zijn worden tot vijanden; betrekkingen, van wie we alle vriendelijkheid en hulp zouden verwachten, worden koel of vijandig.wat zijn al deze huiselijke betrekkingen in de verschillende voorbeelden verdorven en bitter gemaakt door de zonde of door de smart! Zodat wanneer wij als de kinderen Israëls ons gaarne zouden bukken en drinken uit deze bronnen van geluk (en dit zouden bronnen van geluk zijn zonder de verdorven staat van de wereld, en de zonde in het hart van de mens) wij de wateren niet kunnen drinken; deze zijn bitter gemaakt; ze zijn Mara. d. En evenzo met het menselijk lichaam. God schiep het lichaam gezond, zoals Hij de ziel rein schiep; maar toen de zonde de ziel binnendrong, kwam de ziekte het lichaam binnen. Van hoe velen van Gods volk wordt het leven bitter gemaakt door een slechte gezondheid, en al hun aangename vooruitzichten worden teleurgesteld, verbroken, verbrijzeld, en omvergeworpen door een last van ziekte en lichamelijke zwakheden. Welnu, dit is het water van Mara ; smart, kwelling, bitterheid, teleurstelling en alles verdorven; zodat wij niet kunnen drinken van de anders zoete levensstromen. En het is een genade-weldaad, dat wij dit niet kunnen. Zouden wij ervan kunnen drinken, dan zouden wij geen behoefte hebben aan ander water. Konden wij onze dorst lessen aan deze aardse beekjes, dan zouden wij geen behoefte hebben aan de beekjes der rivier, die de stad Gods zullen verblijden. Wanneer wij ons zouden kunnen verzadigen aan aardse troost en werelds geluk, dan zouden wij nooit behoefte hebben aan de vertroostingen van de gezegende Geest, of om te drinken uit de volheid van de Heere Jezus Christus. Doch dit is erg teleurstellend. Bitterheid te ervaren in alles, en bitterheid in die zaken, waaruit u gaarne het meeste genoegen zoudt trekken; dat u in de dadelijkheid verlangt naar enig werelds geluk; zoals de kinderen Israëls voortsnelden naar het water, dat tussen de palmbomen schemerde, evenwel niet zodra komt u tot die plaats van uw verwacht genoegen, of u ervaart dat dit bitter is; een zekere teleurstelling, smart, kwelling, een zekere zonde doet alles bitter zijn. Is dit erg aangenaam? Is dit hetgeen de natuur liefheeft? Wil dit er erg gemakkelijk in? Niet zolang de mens is, wat hij is. Beviel het de kinderen Israëls? Neen, zij murmureerden. 3 II. En dit voert ons tot ons tweede punt, dat wil zeggen, het murmureren van het opstandige vlees tegen deze bedelingen. Wanneer de Heere niet tegenwoordig is om de ziel te zegenen en deze toe te lachen, is het dan niet een erg harde zaak zovele beproevingen, kwellingen, en teleurstellingen te hebben; om te ervaren, dat hier alles is bitter gemaakt; dat God u zelfs nog geen wonderboom zal beschikken, om u over te verblijden; dat u niet kunt gaan zitten en spreken; Wel nu zal ik het wat gemakkelijker krijgen; hier is eindelijk wat rust? Is het niet erg kwellend, teleurstellend, aangekant tegen ieder gevoel van ons natuurlijk hart, dat de Heere ons nooit zal toelaten in iets anders te rusten dan in Hem? Dat wanneer wij gaarne onze arm zouden willen uitstrekken en een wereldse vreugde zouden willen omhelzen, er een hand is, die deze beker van onze mond slaat? Dat wanneer wij zouden willen neerknielen, en drinken van het water dat glinstert in de woestijn, dit zo zout, brak en bitter is, dat wij hieraan onze dorst niet kunnen lessen? a. Welnu, laten we zeggen, dat u vele teleurstellingen hebt in zaken. Zijn deze aangenaam? Wanneer de postbode u bij voorbeeld een brief bezorgt, vol met slecht nieuws; dat er iemand bankroet is gegaan, die u een som gelds schuldig is; voelt u zich hieronder erg op uw gemak? Staat dit niet erg tegen? En doet dit in uw vleselijk gemoed geen murmurering en gemelijkheid oprijzen, en een opstandig gevoel, dat u zulk een harde behandeling moet ervaren? U kunt om u heenzien, en wellicht opmerken hoe anderen in de wereld vooruitkomen; mannen, die u gekend hebt in armoede, ziet u rijden in hun rijtuigen, en u altijd tegengewerkt, teleurgesteld, verbrijzeld, en alle dingen tegen u. Dit is niet erg aangenaam voor vlees en bloed; dit is tegen de natuur; en bijgevolg murmureert, woelt, mort en rebelleert de natuur tegen deze bedelingen. b. Of u hebt een slechte gezondheid, en kunt niet leven als anderen; inspanning betekent moeite voor u; uw zenuwen zijn geschokt en uw gehele gestel is in de war door lichamelijke zwakte; alles is afmattend; de sprinkhaan is zichzelven een last. U kijkt om u heen en u ziet mensen wandelen, die zo gezond en sterk zijn en u wordt wellicht gekweld door de pijn, of uw gestalte is in alle opzichten gebroken en uw gestel zwak. Welnu, bij ogenblikken, zal dit in het gemoed zekere erg onaangename gevoelens doen oprijzen. Er zal een murmureren, opstand, en een gemelijkheid zijn tegen God, wanneer u opmerkt, dat anderen op zulk een gezegende wijze geleid worden, en dat u, naar u meent, geleid wordt op een wijze, die er zo tegengesteld aan is. c. Uw eigen huisgezin, misschien uw zonen en dochters, zijn niet wat u ze zou wensen te zijn. U ziet om u heen, en u ziet, dat de zonen van anderen oppassend zijn; dat hun dochters goed oppassen, getrouwd zijn en het goed doen in het leven; terwijl wat betreft uzelf, de dingen juist tegengesteld zijn; alles is gekant tegen hetgeen uw natuur verlangt, en hetgeen uw vleselijke gemoed liefheeft. En in plaats van op kalme wijze neder te zitten, en deze bezoekingen en smarten te verdragen, verheft zich het vleselijk gemoed ertegen, is er een werking van opstandigheid, een morren, een murmureren, alsof de Heere erg hard met u handelde, en dat niemand ooit zulk een last te dragen had als uzelf. d. Of verder, u heeft een voortdurend kruis, en u gevoelt, dat een lichaam der zonde en des doods u altijd kwellende is; zodat u nooit met rust gelaten wordt, of zoals Job zegt, dat u niet voldoende tijd ontvangt om uw speeksel in te zwelgen; maar, dat u dag aan dag gekweld en beproefd wordt. Er is een zekere verzoeking, en u raakte erin verstrikt; een zeker lokaas, en u bent in de val gelopen; een zekere ontdekking van boosheid in uw hart, die u nooit tevoren had opgemerkt. En u meent, dat er nooit iemand was als u; zo gekweld, zo geoefend, beproefd, verzocht, en zo terneergebogen; daarbij zo weinig genade bezittende, zo weinig geestelijkgezindheid; en zo weinig in uw hart aantreffende, waarvan u kunt zeggen: Gode zij dank, nu heb ik enige ware godsdienst. Welnu, wanneer de geest aldus geoefend, beproefd, en terneergebogen wordt door wel duizend zaken, tenzij God nabij is, en Zijn genade tussenbeide komt, zal er in het vleselijke gemoed veel van deze gemelijkheid zijn, en zal er veel geklaagd en gemurmureerd worden. Maar is dit alles? Zou het genoegzaam zijn om u aldus te verlaten? Kan een levende ziel hier staande blijven? Neen. Er moet iets meer zijn dan dit. Het is een droevige zaak niets dan bitterheid en murmurering te bezitten; en daarom zullen wij overgaan tot ons derde punt. III. Wat is hetgeen een levende ziel vroeg of laat moet doen en ook doet. Mozes riep tot den HEERE. 4 En dit is hetgeen wij doen, als wij niemand anders meer hebben tot wie we gaan kunnen. Wanneer wij aan het water van Mara komen, en vaststellen, dat wij niet kunnen drinken; wanneer er niets dan bitterheid en teleurstelling is, dan is er eerst een strijd, een murmureren, een rebelleren, hetgeen de zaak alleen nog slechter doet zijn dan tevoren. Maar in Zijn liefdevolle genade behaagt het de Heere een zuchten en een roepen in de ziel te verwekken, en de smekingen vanuit het hart te doen opklimmen. Doch dit is een harde zaak, omdat het lijkt, alsof wij dit eerder hadden behoren te doen. De consciëntie begint te zeggen; Waarom bidt u alleen tot God, wanneer u Hem nodig hebt; u had niet behoren te murmureren en klagen; u had niet behoren te rebelleren en gemelijk te zijn, zoals u dat gedaan hebt. Hoe kunt u verwachten, dat God u thans hoort? U hebt alles geprobeerd wat u kunt om eruit te kruipen, en om het juk van uw hals te krijgen; en hiertoe niet in staat zijnde, komt u tot de HEERE. Toch is dit hetgeen wij genoodzaakt zijn te doen; en ik mag eraan toevoegen, waartoe genade ons in staat stelt, omdat de beproevingen op zichzelf genomen het gebed niet zullen doen oprijzen; ze doen het eerder teniet. Wij zouden ons zelfs in de buik des grafs kunnen bevinden, en geen gebed hebben, tenzij God het daar in onze ziel legt. Slag op slag zou ons kunnen treffen, doch geen
Search Related
We Need Your Support
Thank you for visiting our website and your interest in our free products and services. We are nonprofit website to share and download documents. To the running of this website, we need your help to support us.

Thanks to everyone for your continued support.

No, Thanks