Please download to get full document.

View again

of 133
All materials on our website are shared by users. If you have any questions about copyright issues, please report us to resolve them. We are always happy to assist you.

Masterproef De vraag naar auditkwaliteit in private familiebedrijven

Category:

Psychology

Publish on:

Views: 22 | Pages: 133

Extension: PDF | Download: 1

Share
Related documents
Description
FACULTEIT BEDRIJFSECONOMISCHE WETENSCHAPPEN master in de toegepaste economische wetenschappen: accountancy en financiering Masterproef De vraag naar auditkwaliteit in private familiebedrijven
Transcript
FACULTEIT BEDRIJFSECONOMISCHE WETENSCHAPPEN master in de toegepaste economische wetenschappen: accountancy en financiering Masterproef De vraag naar auditkwaliteit in private familiebedrijven Promotor : Prof. dr. Nadine LYBAERT Copromotor : De heer Maarten CORTEN Hans Swinnen Masterproef voorgedragen tot het bekomen van de graad van master in de toegepaste economische wetenschappen, afstudeerrichting accountancy en financiering Universiteit Hasselt Campus Hasselt Martelarenlaan 42 BE-3500 Hasselt Universiteit Hasselt Campus Diepenbeek Agoralaan Gebouw D BE-3590 Diepenbeek FACULTEIT BEDRIJFSECONOMISCHE WETENSCHAPPEN master in de toegepaste economische wetenschappen: accountancy en financiering Masterproef De vraag naar auditkwaliteit in private familiebedrijven Promotor : Copromotor : Prof. dr. Nadine LYBAERT De heer Maarten CORTEN Hans Swinnen Masterproef voorgedragen tot het bekomen van de graad van master in de toegepaste economische wetenschappen, afstudeerrichting accountancy en financiering Woord vooraf Deze masterproef vormt het sluitstuk van mijn opleiding Toegepaste Economische Wetenschappen, met afstudeerrichting Accountancy en Financiering, aan de Universiteit Hasselt. Het tot stand brengen van deze masterproef heeft veel tijd en inzet gevergd, maar het was vanzelfsprekend een zeer boeiende en leerrijke ervaring. De verwezenlijking van dit werk was echter niet mogelijk geweest zonder de hulp van een aantal personen die ik via deze weg graag zou willen bedanken. Vooreerst richt ik een oprecht woord van dank aan mijn promotor Prof. dr. Nadine Lybaert. Haar uitgebreide vakkennis, nuttige suggesties en opbouwende kritiek hebben deze masterproef gemaakt tot wat hij nu is. Daarnaast mag zeker mijn copromotor Maarten Corten hier niet ontbreken. Ik kon steeds bij hem terecht voor goede raad en hij is van zeer grote hulp geweest bij het opstellen van de vragenlijst die in deze masterproef gebruikt werd. Samen vormden zij een hecht team dat steeds voor mij klaar stond en de tijd nam om dit werk te verbeteren en samen met mij te bespreken. Verder wil ik nog mijn ouders, mijn schoonouders, mijn zus en mijn vriendin Leen bedanken voor de steun en het geloof dat ze in mij gesteld hebben. Zonder hen had ik deze opleiding nooit tot een goed einde kunnen brengen. Tot slot wil ik eveneens mijn medestudenten, en in het bijzonder Ward Deckers en Ruben Jansen, bedanken. De vier leuke jaren die we samen hebben beleefd zullen we ons nog lang herinneren. Hans Swinnen Lommel, mei I - - II - Samenvatting Een aantal boekhoudschandalen en fraudezaken zoals die bij Enron en WorldCom tonen het belang in de huidige maatschappij aan, van een transparante en betrouwbare rapportering van de ondernemingsresultaten. Een externe auditor heeft hierbij de belangrijke rol om de juistheid en volledigheid van de financiële staten van een onderneming te certificeren. In de wetenschappelijke literatuur vormt auditing bovendien een zeer uitgebreid onderzoeksdomein. Binnen dit onderzoeksdomein zijn studies over familiale ondernemingen echter nog steeds in de minderheid, terwijl deze bedrijven wel 70% van de Belgische economie vertegenwoordigen. Deze onderbelichting van familiebedrijven is gedeeltelijk te verklaren door het feit dat de klassieke agency-denkers slechts weinig agency problemen voorzien in een familiale onderneming. Aangezien de vraag naar een auditor van hoge kwaliteit samenhangt met de mate van agency problemen in een bedrijf, wordt volgens deze klassieke denkers slechts weinig vraag naar auditkwaliteit verwacht bij familiale ondernemingen. De recentere family firm literatuur brengt echter een volledig ander beeld naar buiten over de agency problematiek in familiebedrijven. Deze bedrijven zouden namelijk worden blootgesteld aan een heel scala van voor hen specifieke agency problemen. De centrale onderzoeksvraag van deze masterproef wordt daarom als volgt geformuleerd: Verschilt de vraag naar auditkwaliteit in private familieondernemingen met de vraag naar auditkwaliteit in private niet-familieondernemingen en in welke mate verschilt deze vraag naar auditkwaliteit tussen verschillende types van private familieondernemingen? In hoofdstuk 1 wordt dit praktijkprobleem verder uit de doeken gedaan en worden, naast de centrale onderzoeksvraag, verschillende deelvragen geformuleerd. Enerzijds wordt gebruik gemaakt van theoretisch gerichte deelvragen die met een literatuurstudie worden beantwoord. Anderzijds zijn er een aantal deelvragen die opgelost worden aan de hand van een empirisch onderzoek. Hierbij wordt aandacht besteed aan de invloed van de proportie familieleden in de raad van bestuur, het percentage familiaal eigenaarschap en de generatie familieleden die de aandelen in handen heeft, op de vraag naar auditkwaliteit. Hoofdstuk 1 eindigt met een voorstelling van het onderzoeksplan. Hoofdstuk 2 vormt het eerste hoofdstuk van de literatuurstudie van deze masterproef. Met deze literatuurstudie wordt getracht een antwoord te formuleren op de theoretisch gerichte deelvragen. Eerst en vooral wordt een overzicht gegeven van de verschillende definities voor familiebedrijven die in de literatuur zijn terug te vinden. Daaruit blijkt dat er geen wijdverspreide definitie is die door alle auteurs gehanteerd wordt. Verder volgt er een uiteenzetting van de verschillen tussen een familiebedrijf en een niet-familiebedrijf en worden een aantal stadia onderscheiden waarin familiebedrijven kunnen worden onderverdeeld op basis van welke generatie de eigendom in handen heeft. Dit is belangrijk aangezien agency problemen, en dus ook de vraag naar auditkwaliteit, kunnen verschillen naarmate de tijd verstrijkt en volgende generaties de eigendom verwerven. - III - Hoofdstuk 3 zet de literatuurstudie verder en gaat wat dieper in op de begrippen audit en auditkwaliteit. Om te verklaren waarom bedrijven een vraag uitoefenen naar auditkwaliteit, worden de agency theorie en de verzekeringstheorie aangehaald. Daarnaast komt ook het Belgische wettelijke kader inzake het laten uitvoeren van een externe controle aan bod. Het hoofdstuk wordt beëindigd met een opsomming van een aantal maatstaven die men in voorgaande onderzoeken heeft gehanteerd om auditkwaliteit te meten. De indirecte meetmethode met als belangrijkste maatstaven auditfirmagrootte, sectorexpertise en auditkantoorgrootte, blijkt hierbij het meest te worden toegepast in voorgaand onderzoek. De literatuurstudie wordt afgerond met hoofdstuk 4. In dit hoofdstuk worden agency problemen en agency kosten eerst wat verder in detail bekeken. Daarna wordt verder gegaan met een bespreking van twee contrasterende stromingen in de literatuur op het vlak van agency problemen. Er wordt aangehaald waarom de klassieke agency-denkers van mening waren dat familiebedrijven vrij zouden zijn van agency problemen. Vervolgens is er een uiteenzetting van de agency problematiek die kan worden teruggevonden in de recentere familiy firm literatuur, waaruit blijkt dat familiebedrijven wel degelijk te maken krijgen met een ernstige vorm van agency problemen. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een uiteenzetting van de verschillende agency problemen die in een familiebedrijf kunnen voorkomen naarmate de tijd verstrijkt en de aandelen verspreid raken over verschillende generaties. Het empirisch gedeelte van deze masterproef wordt aangevangen met hoofdstuk 5. De vier hypotheses die verderop onderworpen worden aan een empirische toetsing, worden in dit hoofdstuk opgesteld aan de hand van de empirisch gerichte deelvragen en de inzichten verkregen uit de literatuurstudie. Hoofdstuk 6 gaat vervolgens wat dieper in op de onderzoeksopzet die voor deze masterproef werd gehanteerd. Eerst wordt gestart met een overzicht van de gebruikte afhankelijke-, onafhankelijke- en controlevariabelen, gevolgd door een bespreking van de dataverzameling. De Bel-first databank en de selectiecriteria die erop toegepast worden, om bedrijven te selecteren voor het versturen van de vragenlijst, komen eerst aan bod. Vervolgens wordt de verstuurde vragenlijst toegelicht en wordt het hoofdstuk afgesloten met een verduidelijking van de verwerking van de gegevens tot een werkbare dataset. Hoofdstuk 7 bevat de resultaten van een beschrijvende analyse en een regressieanalyse uitgevoerd met behulp van de opgestelde variabelen. De vier hypothesen worden op deze manier aan de empirie getoetst. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van twee verschillende steekproeven. Eén met familiale en niet-familiale ondernemingen en één met enkel familiale ondernemingen. Met behulp van dit empirisch onderzoek is het mogelijk om op een statistisch significante wijze aan te tonen dat bij familiebedrijven een lagere vraag naar auditkwaliteit aanwezig is dan bij hun nietfamiliale tegenhangers. Hiermee wordt dus het eerste gedeelte van de centrale onderzoeksvraag van een antwoord voorzien. Dit betekent echter niet onmiddellijk dat familiebedrijven minder agency problemen ervaren zoals dit vooropgesteld wordt door de klassieke agency-denkers. Familieleden kunnen er immers voor kiezen om geen auditor aan te stellen omdat ze dit een verspilling van bedrijfsmiddelen vinden, of omdat ze niet gecontroleerd willen worden. In het - IV - tweede gedeelte van de centrale onderzoeksvraag is het de bedoeling om na te gaan of de vraag naar auditkwaliteit verschilt tussen verschillende types van familieondernemingen. Er kan echter met behulp van de verzamelde gegevens niet op een statistisch significante wijze worden aangetoond dat de proportie familieleden in de raad van bestuur, het percentage familiaal eigenaarschap en de generatie familieleden die de aandelen in handen heeft, een significante invloed hebben op de vraag naar auditkwaliteit. In het afsluitende hoofdstuk, hoofdstuk 8, wordt een algemeen besluit gevormd voor deze masterproef. Daarnaast is er eveneens een kritische terugblik voorzien op de zwakheden van dit onderzoek en worden er aanbevelingen geformuleerd voor verder onderzoek. - V - - VI - Inhoudsopgave Woord vooraf... I Samenvatting... III Inhoudsopgave... VII Lijst van tabellen...xi Lijst van figuren... XIII Deel I: Probleemstelling... 1 Hoofdstuk 1: Probleemstelling en onderzoeksplan Praktijkprobleem Onderzoeksvragen De centrale onderzoeksvraag Deelvragen Onderzoeksplan Theoriegericht onderzoek Praktijkgericht onderzoek... 8 Deel II: Literatuurstudie... 9 Hoofdstuk 2: Familieondernemingen Definities voor familieondernemingen De roos van Astrachan & Shanker De F-PEC schaal Het verschil met niet-familieondernemingen Familieondernemingen doorheen de tijd Het Controlling Owner stadium Het Sibling Partnership stadium Het Cousin Consortium stadium Hoofdstuk 3: Audit en auditkwaliteit Wat is een audit Wat is auditkwaliteit De vraag naar audit en auditkwaliteit De audit-vraagtheorieën Andere factoren die de vraag naar auditkwaliteit beïnvloeden VII - 3.4 Maatstaven voor auditkwaliteit De directe benadering De indirecte benadering Andere maatstaven Hoofdstuk 4: Agency problemen in familiebedrijven Agency problemen en agency kosten Definitie Agency kosten De klassieke agency-denkers Mechanismen van invloed op agency problemen Geconcentreerd eigenaarschap en eigenaar-management in familiebedrijven De recentere family firm literatuur Averechtse selectie Altruïsme Zelfcontroleproblemen Entrenchment Een inefficiënte raad van bestuur Agency problemen in familiebedrijven doorheen de tijd Het Controlling Owner stadium Het Sibling Partnership stadium Het Cousin Consortium stadium Deel III: Empirisch onderzoek Hoofdstuk 5: Hypothesevorming Hypothese 1: De vraag naar auditkwaliteit bij private familiebedrijven Hypothese 2: De vraag naar auditkwaliteit en het aantal familieleden in de raad van bestuur Hypothese 3: De vraag naar auditkwaliteit en het percentage familie-eigenaarschap Hypothese 4: De vraag naar auditkwaliteit en het generatie-effect Hoofdstuk 6: Onderzoeksopzet Variabelen Afhankelijke variabele Onafhankelijke variabelen Controlevariabelen VIII - 6.2 Dataverzameling Bel-First Vragenlijst Verwerking van de data Ontbrekende waarden Uitschieters Multicollineariteit Hoofdstuk 7: Empirisch Onderzoek Steekproef familiebedrijven en niet-familiebedrijven (toetsing hypothese 1) Beschrijvende analyse Regressieanalyse Robuustheid Steekproef familiebedrijven (toetsing hypothesen 2, 3 en 4) Beschrijvende analyse Regressieanalyse Robuustheid Deel IV: Conclusie Hoofdstuk 8: Algemeen Besluit Conclusies Zwakheden en beperkingen van het onderzoek Aanbevelingen voor verder onderzoek Lijst van geraadpleegde werken Bijlagen IX - - X - Lijst van tabellen Tabel 1: Het aandeel van familiebedrijven in de tewerkstelling in België (IFERA, 2003)... 3 Tabel 2: Overzicht van voorgaand onderzoek met betrekking tot agency problemen en de vraag naar auditkwaliteit Tabel 3: Frequentietabel familiebedrijven en niet familiebedrijven Tabel 4: Beschrijvende statistieken voor de steekproef van familiebedrijven en nietfamiliebedrijven Tabel 5: Kruistabel familiebedrijven met Big 4 auditor Tabel 6: Kruistabel familiebedrijven met auditor als sectorspecialist Tabel 7: t-toets voor gelijke gemiddelden Tabel 8: Correlatietabel Tabel 9: Regressieresultaten invloed FamEig_D op BIG Tabel 10: Regressieresultaten invloed FamGev op BIG Tabel 11: Robuustheidtest met SPECIAL Tabel 12: Frequentietabel FamRVB_D en FamEig_D Tabel 13: Frequentietabel ContrOwn, SiblPart en CousCons Tabel 14: Beschrijvende statistieken voor de steekproef van familiebedrijven Tabel 15: Correlatietabel Tabel 16: Regressieresultaten hypothese 2 en Tabel 17: Regressieresultaten hypothese 4 en volledig model Tabel 18: Robuustheidtest met SPECIAL XI - - XII - Lijst van figuren Figuur 1: De roos van Astrachan & Shanker (2003) Figuur 2: De F-PEC schaal (Astrachan et al., 2002) Figuur 3: Het driecirkelmodel van Tagiuri & Davis (1996) Figuur 4: Het driedimensionaal ontwikkelingsmodel van Gersick et al. (1997) XIII - - XIV - Deel I: Probleemstelling Hoofdstuk 1: Probleemstelling en onderzoeksplan Dit hoofdstuk heeft een inleidende functie. In de eerste sectie wordt het praktijkprobleem geschetst. Hierin zal duidelijk worden waarom deze masterproef relevant en actueel is. Vervolgens wordt de centrale onderzoeksvraag geformuleerd, die aangeeft wat er juist in deze masterproef onderzocht zal worden. Om deze centrale onderzoeksvraag op een duidelijke manier te kunnen beantwoorden wordt ze opgesplitst in een aantal deelvragen. Deze maken het masterproefonderwerp hanteerbaar en geven aan wat de lezer in de volgende hoofdstukken van dit werk mag verwachten. Achteraan dit hoofdstuk is een voorstelling van het onderzoeksplan terug te vinden. Dit bestaat enerzijds uit een theoriegericht en anderzijds uit een praktijkgericht gedeelte. 1.1 Praktijkprobleem Recente boekhoudschandalen en fraudezaken zoals die bij Enron en WorldCom hebben ertoe geleid dat vele investeerders en andere stakeholders twijfels kregen over de betrouwbaarheid van de financiële staten van een onderneming (Monks & Minow, 2008). In de Verenigde Staten kwam er naar aanleiding van de onthulling van enkele van deze zware fraudezaken zelfs een strengere regelgeving die de Sarbanes-Oxley act genoemd werd (Deakin & Konzelmann, 2004). Met deze wet wil de Securities en Exchange Commissie (SEC) auditors onder andere verbieden om naast de gewone audit activiteiten ook non-audit diensten aan te bieden aan eenzelfde bedrijf. Dit zou namelijk de onafhankelijkheid van de auditor ten opzichte van dat bedrijf kunnen schaden. De vernoemde voorbeelden tonen naast vele andere actuele voorbeelden aan, dat er in de huidige maatschappij steeds meer aandacht gehecht wordt aan transparante en betrouwbare rapportering van de ondernemingsactiviteiten. Deze transparantie en betrouwbaarheid kan een bedrijf bereiken door het aanstellen van een externe auditor (Dries, Van Brussel, & Willekens, 2004). Een externe auditor geeft immers een onafhankelijke beoordeling over de juistheid en volledigheid van de financiële staten, wat de geloofwaardigheid ervan ten goede komt. Dit is van groot belang als een bedrijf bijvoorbeeld extra kredieten wil aantrekken of een langetermijncontract wil sluiten met een leverancier. Deze stakeholders baseren namelijk hun beslissing om met het bedrijf in zee te gaan op de financiële staten die het bedrijf rapporteert. In de wetenschappelijke literatuur zien we eveneens dat er veel belang gehecht wordt aan auditing. Er is immers een heel uitgebreid gamma van studies die onderzoek doen naar accounting en audit binnen een onderneming. Het probleem met deze studies is echter dat ze vooral gefocust zijn op publieke ondernemingen, waarbinnen de gekende agency problemen aanwezig zijn. Agency problemen treden op wanneer een principaal (aandeelhouder) een agent (manager) aanstelt om in zijn naam beslissingen te nemen en de onderneming te managen (Emery, Finnerty, & Stowe, 2007). Er ontstaat op die manier een scheiding tussen de controle over het bedrijf en het - 1 - eigenaarschap ervan. Hierdoor handelen managers niet altijd in het belang van de aandeelhouders en proberen ze zichzelf te verrijken of vertonen ze andere opportunistische gedragingen. Ze doen dit omdat dergelijke gedragingen in de meeste gevallen niet op een directe manier observeerbaar zijn door de principaal. Als de principaal zich hiervan bewust is, kan hij het management wel aan controle onderwerpen via verschillende mechanismen of kan hij hun gedrag in de goede richting sturen door het geven van prikkels (o.a. aandelenopties of een verloning gelinkt aan de bedrijfsprestaties). Het laten uitvoeren van een externe audit is een zeer belangrijk voorbeeld van een controlemechanisme waarop de principaal zich kan beroepen (Emery et al., 2007). Agency problemen in een onderneming zullen er dus toe leiden dat er een vraag zal ontstaan naar externe auditdiensten. Daarbij komt nog dat hoe hoger de agency kosten in een onderneming zullen zijn, hoe meer men naar auditdiensten van een hogere kwaliteit zal verlangen (Carey, Simnett, & Tanewski, 2000). De focus in de wetenschappelijke literatuur ligt, zoals eerder al aangehaald werd, op publieke bedrijven en hun agency problemen. Een mogelijke reden voor de onderbelichting van familiebedrijven in de accountingliteratuur is dat de klassieke agency theoretici ervan uit gingen dat de agency problemen in familiebedrijven slechts minimaal waren. Jensen en Meckling (1976) argumenteren in lijn met deze gedachte dat formele governancepraktijken, zoals een externe audit, in familiebedrijven onnodig zijn en zelfs contraproductief kunnen werken. Daarnaast halen Daily en Dollinger (1992) aan dat familiebedrijven de minst dure en meest efficiënte organisatievorm zijn. Deze klassieke vormen van het agency-denken erkennen namelijk dat in familiebedrijven de eigenaar-aandeelhouders meestal ook zelf de managementfuncties voor zich nemen. Dit zorgt ervoor dat er geen scheiding zal ontstaan tussen het eigenaarschap van het familiebedrijf en de controle erover, waardoor er amper agency problemen zouden voorkomen. Bovendien zorgen de familiebanden in het bedrijf ervoor dat het management gemotiveerd is om het familie-inkomen en de familieconsumptie te maximaliseren in plaats van opportunistisch gedrag te vertonen (Chrisman, Chua, & Litz, 2004). De familievorm van ondernemen werd dus gezien als één van de beste organisatievormen op het vlak van corporate governance. De klassieke agency aanhangers gaan er om deze reden dan ook vanuit dat familiebedrijven zeer weinig vraag zullen uitoefenen naar auditdiensten van hoge kwaliteit omdat er gewoonweg geen nood aan is door hun lage agency kosten. Hope, Langli, and Thomas (2012) geven in lijn met deze gedachte aan dat meer familieleden in de raad van bestuur van een familiebedrijf ervoor kunnen zorgen dat er minder conflicten voorkomen in deze raad van bestuur. Familieleden willen immers het beste voor hun onderneming, terwijl nietfamilieleden uit zijn op het nastreven van andere doelstellingen zoals meer aandeelhou
Similar documents
View more...
Search Related
We Need Your Support
Thank you for visiting our website and your interest in our free products and services. We are nonprofit website to share and download documents. To the running of this website, we need your help to support us.

Thanks to everyone for your continued support.

No, Thanks