Please download to get full document.

View again

of 17
All materials on our website are shared by users. If you have any questions about copyright issues, please report us to resolve them. We are always happy to assist you.

TEKST 4 IS TRAJECTBEGELEIDING EEN WERKZAAM MEDICIJN VOOR WERKLOZEN MET DEPRESSIEVE GEVOELENS? Eric Ramaekers 1

Category:

Self Improvement

Publish on:

Views: 25 | Pages: 17

Extension: PDF | Download: 0

Share
Related documents
Description
TEKST 4 IS TRAJECTBEGELEIDING EEN WERKZAAM MEDICIJN VOOR WERKLOZEN MET DEPRESSIEVE GEVOELENS? Eric Ramaekers 1 Hoe zinvol is het om iemand die depressief is met werk te rehabiliteren? Personen met psychische
Transcript
TEKST 4 IS TRAJECTBEGELEIDING EEN WERKZAAM MEDICIJN VOOR WERKLOZEN MET DEPRESSIEVE GEVOELENS? Eric Ramaekers 1 Hoe zinvol is het om iemand die depressief is met werk te rehabiliteren? Personen met psychische problemen zijn vaak zo grondig arbeidsongeschikt geraakt dat begeleidingscentra slechts met moeite iets kunnen aanvangen met deze groep. Bij een echte psychiatrische problematiek, kunnen psychiatrische patiënten zich nauwelijks op de arbeidsmarkt handhaven. Voor hen moet activering sociale uitsluiting voorkomen. Door bepaalde kwaliteiten van deze mensen om te zetten in zinvolle, maatschappelijke activiteiten, proberen begeleidingscentra hen opnieuw een plaats in de samenleving te geven en te zorgen dat ze weer mee gaan doen. Werklozen met minder zware psychische problemen zijn een andere categorie, maar hebben evenzeer veel problemen die samenhangen met een geringe maatschappelijke participatie. Men kan daarbij denken aan werklozen die in staat zijn om te werken en ook willen werken, maar hun behoefte om te werken zo voorzichtig en conditioneel formuleren, dat het lijkt of de wil tot werken geheel verdampt is. Ze voelen zich waardeloos en apathisch, slapen slecht en hebben een gebrek aan eetlust. In hun hoofd spoken continu negatieve gedachten rond. Wat bij hen opvalt is dat langdurige activiteit zeer remmend werkt op het dagelijks functioneren. Inactiviteit bevestigt en versterkt de negatieve ideeën over zichzelf en de wereld om hen heen. Het is een spiraal van inactiviteit en gevoelens van waardeloosheid. De vraag die we ons in dit artikel stellen is hoe trajectbegeleiding door deze mensen wordt beleefd. Is trajectbegeleiding een medicijn voor werklozen met sterk negatieve gedachten die uitlopen op depressiviteit? Het gaat ons niet om de vraag of trajectbegeleiding er in slaagt om deze mensen een zinvolle werkplek te bieden en concreet op een arbeidsplaats te zetten, maar hoe de trajectbenadering op hen psychologisch overkomt. Het is dus een vraag naar de psychische beleving van de trajectaanpak op werklozen met depressieve gedachten. Om deze vraag te beantwoorden hebben we een onderzoek gedaan onder werklozen die trajectbegeleiding volgen en van wie we weten dat zij kampen met ernstig negatieve gevoelens. Dit onderzoek is uitgevoerd in Belgisch Limburg onder 624 werkzoekenden die trajectbegeleiding volgen. Voor gedetailleerde informatie over de reikwijdte van het onderzoek en de onderzoeksopzet verwijzen we naar Ramaekers (2003). Hetzelfde onderzoek werd opnieuw bevraagd in 2016 voor 138 werknemers (Ramaekers, 2016). 1 Niet gepubliceerd artikel. Eric Ramaekers is Doctor in de arbeidspsychologie, afgevaardigd bestuurder van Arbeidskansen vzw, voorzitter van GTB-Vlaanderen en zaakvoerder van Bias bvba. In dit artikel geven we eerst een korte schets van de problematiek van werklozen met sterk negatieve gedachten en bespreken we het begrip trajectbegeleiding. Daarna gaan we kort in op beide onderzoeken. Het artikel sluiten we af met de belangrijkste resultaten en we noemen enkele aandachtspunten bij de uitvoering van trajectbegeleiding voor deze specifieke doelgroep. Psychische gezondheid en arbeidsrehabilitatie Rehabilitatie, een breed begrip Rehabilitatie streeft, in de context van trajectbegeleiding, naar het zoveel mogelijk vergroten van de activiteiten en participatie. Rehabilitatie richt zich, in tegenstelling tot behandeling, niet op het terugdringen van stoornissen maar op het vergroten van de activiteiten en participatie van cliënten. Rehabilitatie richt zich op het zo goed mogelijk gebruiken van aanwezige capaciteiten. Rehabilitatie streeft naar een zo normaal mogelijk sociaal kader. Werklozen met negatieve gedachten Bij iemand die langdurig werkloos is, is van het realistisch beeld van de eigen arbeidsmogelijkheden doorgaans niet veel over. De psychische bagage die nodig is om te werken, wordt opgebouwd in een langdurig proces van arbeidssocialisatie. Deze bagage kan in een periode van werkloosheid in korte tijd verloren gaan. Al na een korte periode van werkloosheid zakt bij velen de moed om werk te zoeken in de schoenen. Men solliciteert wel, maar kan zich moeilijk presenteren als een proactief denkende en flexibel inzetbare arbeidskracht. Men kampt met eigen angsten voor de mogelijke stereotypen over werklozen. Dit beeld wordt veelal bekrachtigd door begeleiders en hulpverleners. Meestal storen we ons blind op iemands symptomen en wordt er weinig gekeken naar de mogelijkheden (cfr. Rachel Perkins Voor mensen met negatieve gedachten geldt dat des te sterker. Het zijn juist de sociale eisen van het werk die zwaar drukken. Men moet zich in sociale zin kunnen profileren omdat met name de zogenoemde sociaal-normatieve kwalificaties, bijvoorbeeld het in team kunnen functioneren, belangrijk zijn. Bij deze mensen is hun leven vaak over de hele linie in het honderd gelopen. Het werkactiveren moet daarom wachten tot andere zaken in orde zijn gebracht zoals het innemen van medicatie, het herstellen van de contacten, het zorgen voor woonruimte en het opzetten van schuldsanering. Dat laat al zien dat arbeidsrehabilitatie niet kan beschouwd worden als een medicijn dat het ganse leven op orde brengt. Deze vorm van rehabilitatie is beperkt, het is in feite een uitingsvondst van het arbeidsethos. Werken maakt deel uit van veel definities van normaliteit. Wie werkt is normaal. Met wie niet werkt is er iets aan de hand. Deze persoon moet zo snel mogelijk weer tot normaliteit worden gebracht. Het verrichten van betaalde arbeid vormt een dominante waarde voor velen in onze samenleving. Dit is zichtbaar in de materiële en psychische aspecten die aan werk verbonden zijn: loon, een hoger activiteitenniveau, afwisseling tijdsstructuur, sociale contacten en persoonlijke identiteit. Werk is in onze samenleving een belangrijke indicator van gezondheid en sociale integratie. Elke morgen een dosis van dit medicijn zou mensen in het gareel van een reeks gezonde activiteiten houden. De samenleving is zo sterk van dit ethos doordrongen dat zelfs mensen met psychiatrische problemen niet met rust worden gelaten en nauwelijks op adem kunnen komen (cfr. werkschrift 3: Arbeidsrehabilitatie Arbeidsrehabilitatie kan soms uitlopen op gedwongen tewerkstelling. Daarmee loopt zij het gevaar dat ontkend wordt dat werken, onder humane omstandigheden en niet gedwongen, zeker kan bijdragen aan de psychische gezondheid. Bij tijd en wijle komt het arbeidsethos en daarmee ook de arbeidsrehabilitatie onder vuur te liggen en de kritiek er op doet ons steeds weer zoeken naar de positieve betekenis van werk voor mensen met psychische problemen. Werklozen met depressieve gevoelens worden in hun zoektocht naar werk nogal eens geconfronteerd met barrières die onoverbrugbaar lijken. Hun zoektocht wordt dan een dwaaltocht. De laatste jaren is men onder meer ook deze groep van werklozen op een nieuwe wijze gaan benaderen om hen opnieuw op het spoor te krijgen. Het doel is om hun kansen op inzetbaarheid op de arbeidsmarkt te verhogen. Uit onderzoek blijkt dat cliënten die deelnemen aan aangepaste trainingsprogramma s, een lager depressief niveau hebben na de deelname, vergeleken met cliënten die niet aan een dergelijk programma deelnemen (Vinokur, Price en Caplan, 1991; Knaeps J., 2015)). De verwachtingen van aangepaste programma s zijn dus hoog. Het oorspronkelijke van de benadering zit in de individualiserende en gedragssturende aanpak. Deze aanpak op maat wordt doorgaans trajectbegeleiding genoemd. Psychologische beïnvloeding door trajectbegeleiding Interventiemodel Trajectbegeleiding is een op de persoon van de werkloze gericht activeringsbeleid om tot reintegratie te komen. Trajectbegeleiding is een overkoepelend concept dat het geheel van activiteiten omvat die gebaseerd zijn op een gedragsanalyse van de factoren die dit gedrag aansturen. Het gaat bij dit concept om gedrag, gedachten en gevoelens van de cliënt die uiteindelijk er toe moeten bijdragen dat hij of zij de eigen positie op de arbeidsmarkt verbetert. De activiteiten waaruit trajectbegeleiding bestaat, bestaan uit voorlichtingsactiviteiten, het leveren van voorzieningen (arbeidszorg, opleiding, stage, screening, werk), het uitvoeren van opvolgingsgesprekken en het doorgeven, bij geen correcte uitvoering, aan de mogelijks sanctionerende overheid en dit vaak als basis voor (zelf)inzicht of stap richting aangepast statuut, maar toch vooral om (aangepast) gedrag af te dwingen. Trajectbegeleiding bestaat echter ook uit een psychologische diagnose van de cliënt en uit gesprekken en opdrachten om de cliënt uit een psychisch vastgelopen situatie te halen. We definiëren trajectbegeleiding daarom als een combinatie van voorlichting en omgevings- en gedragsveranderingen die samen moeten bijdragen aan de uitvoering van specifiek gedrag van de cliënt om de eigen positie op de arbeidsmarkt te verbeteren. Trajectbegeleiding is een werkwijze die een planmatige activiteit omvat welke een sociaalpsychologisch interventiemodel volgt. Dit model bestaat uit een aantal stappen, beginnend bij de probleemanalyse, een analyse van het gedrag van de cliënt en een analyse van zijn/haar omgeving, vervolgens een determinantenanalyse (persoonlijke en externe determinanten) en tenslotte een interventie en evaluatie van de voorlichtingsactiviteiten, de geleverde voorzieningen (sollicitatietraining, stages, opleiding, werk, ) en de opvolging (controle) en eventuele doorverwijzing naar de controlerende overheid (zie voor dat model Green & Kreuter, 1999). De stappen tot de interventie worden gezien als de opbouw van een soort besluitvormingsproces. Globaal genomen kunnen bij de probleem-, de gedrags- en de determinantenanalyse vragen aan de orde komen als Wat is er aan de hand met de cliënt? en Waarom is dit juist bij deze cliënt het geval?. De veronderstelling is dat de interventie één-op-één volgt uit de analyse (diagnose) en er dus direct uit voortkomt, maar dit is bij gedragsverandering zelden het geval, hetgeen ook blijkt uit klinisch psychologisch onderzoek (de Ridder, 1991). Dit komt onder meer omdat de persoon van de trajectbegeleider in de interactie tussen cliënt trajectbegeleider werkgever een belangrijke rol speelt bij het resultaat van de interventie. Daar komt bij dat de interventie, zoals bij trajectbegeleiding, niet alleen gericht is op het gedrag, maar ook op de gedachten, gevoelens en capaciteiten van de cliënt die zelf weer op een ingewikkelde wijze verweven zijn met het gedrag. Diagnosefase Van degenen die de cliënt begeleiden, de trajectbegeleiders, wordt dus een goede diagnose van de persoonskenmerken verwacht. Deze diagnose bestaat uit het beantwoorden van minstens vier algemene vragen. Ten eerste: Wat kan de werkloze, en wat is zijn of haar vermogen? Dit deel van de diagnose moet rekening houden met de opleidingsachtergrond, het opleidingsvermogen, het mobiliteitsvermogen en het vermogen zich breed in te zetten. Daarbij kan gedacht worden aan het al of niet accepteren van onregelmatige werktijden, parttime of fulltime werk, en dergelijke. Ook moet in deze diagnostische fase de periode van inactiviteit in beeld worden gebracht. Een periode van langdurige werkloosheid bemoeilijkt het zicht op wat een cliënt kan, meer dan een korte periode. Een tweede vraag is: Wat wil de cliënt? Het gaat hier om het willen. In hoeverre is er bereidheid om een andersoortige functie dan in het verleden te vervullen, om geografisch mobiel te zijn, om opleidingen te volgen en om qua werktijden breed inzetbaar te zijn. Bij het willen gaat het mogelijk meer om het niet-willen en het aftasten van de grenzen die de cliënt zichzelf heeft gesteld en die hij of zij mentaal niet wil of kan overschrijden. Het probleem bij cliënten met sterk negatieve gedachten is, dat zij een aura om zich heen hebben waarbij niet willen en/of niet-kunnen ongrijpbaar vermengd werken. Vaak wordt het probleem gewoon ontkend door de kant. Ten derde moet nagegaan worden wat de cliënt feitelijk doet om aan werk te komen ( is hij/zij actief op zoek naar werk? ) en welke ten vierde de persoonlijke belemmeringen zijn die het kunnen en willen in bedwang houden. Voor niet-werkenden situeren deze belemmeringen zich nogal eens bij een mogelijke handicap, de leeftijd of de gezinssituatie. Bij cliënten met sterk negatieve gedachten komt daar de psychische toestand bij, die hen in een apathische en afwachtende greep houdt. De redenen zijn niet altijd intra persoonlijk maar gaan soms over relationele contextgebonden elementen. Wederzijdse afhankelijkheid Trajectbegeleiding voor cliënten met depressieve gevoelens is dus gebaseerd op een psychologisch beïnvloedings- en bemiddelingsmodel dat simpel is in theorie, maar gecompliceerd is in de uitvoering. Zij vraagt niet alleen leeroriëntering van (langdurig) werklozen, een acceptatie van een gezamenlijke zoektocht, een persoonlijke gerichtheid op het wegwerken van deficiënties, maar ook van een analyse van de eigen veelal irreële gedachten over dit opzet. Steeds in het licht van het dwingende doel, passend bij het vigerende arbeidsethos, om zo spoedig mogelijk weer een betaalde baan te krijgen. Met steeds de achtergrond van het wegvallen van de bescheiden en wankele financiële basis. Trajectbegeleiding is gecompliceerd omdat er steeds een dreiging bestaat van het verlies van de financiële uitkering wanneer de cliënt, naar het oordeel van de begeleiding, niet gemotiveerd aan deze zoektocht meedoet of mee kan doen. Het gecompliceerde zit ook in de acceptatie van de eigen deficiënties en de relatief zwakkere positie die de cliënt ervaart ten opzichte van de deskundigheden en mogelijkheden van de trajectbegeleider en de trajectorganisatie (zie ook Bundervoet, 1997; von Grumbkow & Ramaekers, 1999 en 2002). Dwingend aan het concept is ook dat niemand onbegeleidbaar of onbemiddelbaar wordt geacht. Vrijwel iedereen wordt in traject genomen, ongeacht de cumulatie van risicofactoren of de mogelijke afstand tot de arbeidsmarkt. Van de trajectbegeleider wordt een bepaalde productie gevraagd omdat de afgesproken ambitie scherp is. Begeleiders moeten resultaat- en klantgericht zijn. Zijn ze dat niet, dan lopen hun eigen werkzekerheid en loopbaanverwachtingen gevaar. Zo houdt iedereen elkaar vast en is de ene afhankelijk van de andere. Begeleiders voelen dat ze hun oude en vertrouwde werkwijze, zoals deze ingeslopen zijn door ervaring en historie, dienen te vernieuwen. De eis is om zich communicatief op te stellen. Men moet bereid en in staat zijn samen te werken met de werkloze. Men streeft er zelfs naar de klant aan het stuur te krijgen (empowerment), wat de professionaliteit van de begeleiders soms in de schaduw zet (zie ook Adams, 2008). Juist door die productiedruk kunnen werklozen met depressieve verschijnselen uit de boot vallen. Niet alleen doordat de eisen te hoog gegrepen zijn voor de betreffende cliënt, maar mogelijk ook doordat de trajectbegeleider zelf moedeloos raakt en voelt dat er geen greep op de cliënt mogelijk is. Door de prikkels op de begeleider en op de cliënt ontstaat een wederzijdse afhankelijkheid. De cliënt voelt de druk om in te gaan op de trajectvoorstellen die door de begeleiders zijn opgesteld. De begeleider voelt de druk van boven om cliënten te helpen waarover hij of zij mogelijk de grootste twijfels heeft. Deze verandering in het beleidsdenken in de sociale zekerheid, en waarom de trajectbegeleiding slechts één van de operationalisaties is, toont de overgang van bescherming naar activering en de gevolgen die dit heeft voor alle betrokkenen (Deleeck, 2000). Werkloze met negatieve gevoelens (depressies) Theorie van depressie Er zijn een heleboel theorieën over depressie, maar geen van deze theorieën wordt als de beste gezien. Waar men het wel over eens is, is dat een depressie zich op verschillende manieren kan ontwikkelen, waarbij zowel biologische, psychische als sociale factoren een rol (kunnen) spelen. De cognitieve theorieën van depressie pogen een antwoord te bieden op de vraag naar causaliteit bij depressie. Binnen de psychische ontwikkelingstrajecten vormen deze de basis van huidig onderzoek. Beck s cognitieve diathese-stress model (1967, 1987) postuleert dat maladaptieve zelf-schema s, bestaande uit dysfunctionele attitudes met betrekking tot thema s als verlies, inadequaatheid, falen en waardeloosheid, de cognitieve kwetsbaarheid voor depressie vormen. Deze schema s ontwikkelen zich op basis van interacties tijdens de vroege kindertijd (Beck, 1967,1987; Kovaes & Beck, 1978). Bovendien hebben de depressogene schema s een rigide en onrealistisch pessimistisch karakter. Beck (1967, 1987) stelt dat enkel de combinatie van deze negatieve cognitieve schema s (de diathese of kwetsbaarheid) met een negatieve levensgebeurtenis (de stress) leidt tot depressie (Abramson et al., 2002). Beck (1967) stelt reeds in zijn originele theorie dat depressieve en nietdepressieve cognities niet enkel in inhoud (negatieve automatische gedachten) verschillen, maar ook in proces. Cognitieve producten vormen het eindresultaat van de informatieverwerkingsoperaties van het cognitief systeem en bestaan uit de cognities en gedachten die het individu ervaart. Met cognitieve processen worden de operaties van het cognitief systeem bedoeld, zoals het encaderen van informatie, het oproepen van informatie en de verdeling van de aandacht. Beck veronderstelt de aanwezigheid van distorsies en kent deze een mediërende rol toe. Een distorsie is een oordeel of een conclusie dewelke een algemeen aanvaarde maat van objectieve realiteit tegenspreekt of er inconsistent mee is (Alloy & Abramson, 1988, p. 226.) Haaga et al (1991) vinden in hun review veel evidentie naar de door Beck (1967, 1987) geformuleerde descriptieve hypothesen. De evidentie met betrekking tot de causaliteit is echter beperkt (Haaga et al, 199). Een andere belangrijke cognitieve theorie over depressie is de theorie van Teasdale (1983). Deze poneert een Differentiële Activatie Hypothese. Teasdale (1983) stelt dat eenzelfde depressieve stemming kan escaleren tot een depressie bij sommige individuen en bij anderen niet, wat hij beschouwt als een belangrijke cognitieve kwetsbaarheidsfactor van depressie. Indien de activatie van de depressogene schema s gepaard gaat met een stressfactor uit de omgeving, zal dat leiden tot meer negatieve zelfevaluaties en een versterking van de depressie. Dit heeft op zijn beurt een sterkere activatie van de negatieve schema s tot gevolg, waardoor er een vicieuze cirkel ontstaat (Teasdale & Dent, 1987). Een initiële milde dysforie zal in een neerwaartse spiraal terecht komen en zo evolueren tot een klinische depressie (Teasdale, 1988). Op basis van tal van onderzoeksresultaten veronderstelt Teasdale (1983) een reciproke relatie tussen cognitie en depressie: negatieve gedachten kunnen depressie veroorzaken en in stand houden en depressie kan leiden tot een negatieve bias in het denken. Deze reciproke relatie vormt de basis van bovengenoemde vicieuze cirkel. Veel studies faalden in het bevestigen van de causaliteit verondersteld door de cognitieve diathese-stress modellen. Miranda en Persons (1988) formuleren een alternatieve verklaring voor een stabiele cognitieve kwetsbaarheid voor depressie, die niet in tegenspraak is met de cognitieve theorieën: de moodstate hypothese. Volgens de mood-state hypothese worden ook dysfunctionele attitudes door de stemmingstoestand beïnvloed. Dysfunctionele attitudes zijn stabiele kwestbaarheidsfactoren, maar de toegankelijkheid van deze attitudes en de mogelijkheid ze te rapporteren is afhankelijk van de stemmingstoestand van het individu. Hoe negatiever de stemming, hoe meer waarschijnlijk dat het kwetsbare individu ertoe in staat is negatieve cognities te rapporteren (Personen & Miranda, 1992). De dysfunctionele attitudes zijn stemmingstoestandsafhankelijke trekken. De toegankelijkheid van deze attitude varieert in functie van de stemming. Onderzoek bood sterke evidentie voor de mood-state hypothese (bv. Miran
Similar documents
View more...
Search Related
We Need Your Support
Thank you for visiting our website and your interest in our free products and services. We are nonprofit website to share and download documents. To the running of this website, we need your help to support us.

Thanks to everyone for your continued support.

No, Thanks