Please download to get full document.

View again

of 27
All materials on our website are shared by users. If you have any questions about copyright issues, please report us to resolve them. We are always happy to assist you.

Datum 24 mei 2017 Bekostigingssystematiek hoger onderwijs (motie Rog/Duisenberg en motie Straus/Duisenberg)

Category:

Business & Finance

Publish on:

Views: 13 | Pages: 27

Extension: PDF | Download: 0

Share
Related documents
Description
Retouradres Postbus BJ Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus EA DEN HAAG. Hoger Onderwijs en Studiefinanciering Rijnstraat 50 Den Haag Postbus 16375
Transcript
Retouradres Postbus BJ Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus EA DEN HAAG. Hoger Onderwijs en Studiefinanciering Rijnstraat 50 Den Haag Postbus BJ Den Haag Bijlagen Datum 24 mei 2017 Betreft Bekostigingssystematiek hoger onderwijs (motie Rog/Duisenberg en motie Straus/Duisenberg) Met deze brief informeer ik u mede namens de minister en staatssecretaris van Economische Zaken en de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de analyse die ik op verzoek van de Tweede Kamer (motie Rog/Duisenberg) heb gemaakt van de bekostigingssystematiek van het hoger onderwijs. 1 In de analyse ga ik in op de effecten die de huidige bekostigingssystematiek in den brede heeft op bekostigde instellingen in het hoger onderwijs. Verschillende vraagstukken vormen de aanleiding om deze analyse op te stellen en komen in deze brief integraal aan bod. De eerste aanleiding om de bekostigingssystematiek tegen het licht te houden zijn de sterk groeiende studentenaantallen in het bijzonder bij bètatechnische opleidingen aan de brede en technische universiteiten, mede als gevolg van de succesvolle inzet van het Techniekpact. De vraag is in welke mate instellingen deze groei kunnen opvangen. Hierbij komt ook de situatie van de vier technische universiteiten (4TU) aan de orde. Dit deel van de analyse komt tegemoet aan de motie Rog/Duisenberg die om een onderzoek vraagt naar de financiële knelpunten en capaciteitsproblemen van de 4TU. 2 De tweede aanleiding is de situatie van universiteiten en hogescholen met relatief veel studenten die een deel van hun bekostiging al hebben verbruikt bij een andere instelling en/of opleiding. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om studenten die zijn geswitcht naar een andere opleiding, overstappen van het wo naar het hbo of via een omweg op de universiteit komen. Met het aanbieden van onderwijs aan deze tweedekans studenten vervullen de instellingen een belangrijke maatschappelijke taak in het perspectief van gelijke kansen voor alle studenten. Als gevolg van de systematiek van bekostigen, worden zij hiervoor niet (volledig) financieel tegemoet gekomen. Een voorbeeld van een instelling waar deze problematiek zich voordoet is de Vrije Universiteit met relatief veel tweedekans 1 Kamerstuk 2016/2017, VIII, nr. 24. Op het eerste deel van de motie is ingegaan bij de Kamerbrief Numerus fixus bij technische universiteiten van 20 januari Er is gebruik gemaakt van gegevens van de 4 technische universiteiten (4TU), zijnde de TU Delft, TU Eindhoven, Wageningen University en de Universiteit van Twente. Pagina 1 van 28 studenten (indirecte instroom). Ik heb dit voorbeeld al in eerdere debatten met uw Kamer genoemd. Zoals ik heb aangegeven tijdens de behandeling van de OCW begroting voor dit jaar, betrek ik deze problematiek ook bij de analyse. Ten derde is de manier van verdelen van middelen over de instellingen en de sturende werking die daarvan uitgaat, een belangrijk aanknopingspunt voor verdere analyse. Het IBO Wetenschappelijk onderzoek heeft in 2014 al grondig gekeken naar de middelen voor wetenschappelijk onderzoek. 3 Dit heeft op basis van de Wetenschapsvisie met ingang van 2017 geleid tot concrete aanpassingen van de bekostigingssystematiek in het wo. 4 Op verzoek van uw Kamer bij motie Straus/Duisenberg ga ik in deze brief nader in op de manier waarop de bekostigingssystematiek meer recht kan doen aan de taken van instellingen voor onderwijs, onderzoek en valorisatie en aan de prioriteiten uit de Nationale Wetenschapsagenda (NWA). 5 Tot slot zijn er ontwikkelingen zoals experimenten met flexstuderen en vraagfinanciering die mogelijk vragen om meer flexibiliteit in de bekostigingssystematiek. Deze ontwikkeling van flexibilisering komt ook aan bod. In deze brief schets ik een aantal denkrichtingen voor de wijze waarop het bekostigingsmodel meer rekening kan houden met bovenstaande punten, en maatwerk kan bieden voor de knelpunten en ontwikkelingen. Deze denkrichtingen - waaronder ook een aantal voorstellen voor vervolgonderzoek - zijn opgenomen in bijlage 3 en kunnen gebruikt worden door een nieuw kabinet. Het bekostigingsmodel voor hoger onderwijs In 2017 gaat er via de rijksbijdrage ruim 6,7 miljard naar het hoger onderwijs. Hiervan is 4,1 miljard bestemd voor universiteiten, inclusief de bijdrage voor de Universitair Medische Centra, en 2,6 miljard voor hogescholen. 6 De rijksbijdrage is bestemd voor de uitvoering van taken op het terrein van onderwijs, onderzoek en kennisbenutting. In bijlage 1 wordt het bekostigingsmodel en de verdeelsystematiek nader beschreven. Het huidige bekostigingsmodel hoger onderwijs is een verdeelmodel om het beschikbare geld over de instellingen te verdelen. Die verdeling van de rijksbijdrage over de instellingen gebeurt op grond van zaken als aantallen studenten, het aantal behaalde graden en afgeronde promoties. Daarnaast wordt een deel van de rijksbijdrage uitgekeerd als vaste voet. De instellingen hebben de autonomie om zelf te beslissen op welke wijze ze het geld verdelen over faculteiten en afdelingen en waar ze accenten leggen. Het verdeelmodel is relatief eenvoudig, met een minimum aan bureaucratie en wordt, ook in het IBO Wetenschappelijk onderzoek, gezien als evenwichtig en effectief. Het lumpsum karakter van de rijksbijdrage, de autonomie van 3 Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Wetenschappelijk onderzoek. Ministerie van Financiën, Rijksoverheid, Den Haag, Rijksoverheid (2014). 4 Wetenschapsvisie 2025: Keuzes voor de Toekomst. 5 Kamerstuk 2016/2017, VIII, nr In 2012 is het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Universitair Medische Centra verschenen, gericht op de huidige financiering en aansturing van de umc s. Pagina 2 van 28 instellingen en de verwevenheid van onderwijs en onderzoek vormen een belangrijk onderdeel van het succes van het Nederlandse stelsel. Door studenten op te leiden in een academische omgeving komt er synergie tussen het academisch onderwijs en onderzoek. Onderzoekers brengen de meest recente inzichten en innovaties in het onderwijsprogramma wat bijdraagt aan de kwaliteit van de opleiding en de interesse van jong talent voor het wetenschappelijk onderzoek en innovatie. 7 Op hogescholen geldt dit voor de inbedding van praktijkgericht onderzoek in het onderwijs. Een sterke en structurele verwevenheid van onderwijs en onderzoek draagt bij aan het onderzoekend vermogen van studenten en andersom stimuleert het onderzoekers bij hun onderzoek of bij het formuleren en exploreren van nieuwe onderzoeksvragen. 8 In 2011 is het huidige bekostigingsmodel ingevoerd in samenspraak met de Vereniging Hogescholen, de VSNU en studentenbonden. In aanvulling daarop zijn voor de jaren prestatieafspraken met individuele hogescholen en universiteiten gemaakt naast het reguliere verdeelmodel. Met de Wetenschapsvisie 2025 zijn, op basis van het IBO, recentelijk aanpassingen doorgevoerd in de bekostigingssystematiek en is de stabiliteit en voorspelbaarheid in de bekostiging verder vergroot. Dit illustreert hoe binnen de kaders van het model aanpassingen geaccommodeerd kunnen worden. Het ligt daarom niet direct voor de hand om het huidige bekostigingsmodel ingrijpend te veranderen. Deze visie wordt ook gedeeld door de VSNU en de Vereniging Hogescholen. Er zijn wel redenen voor aanpassingen op onderdelen van het model. In de volgende paragraaf ga ik hier op in. Analyse van de bekostigingssystematiek voor hoger onderwijs Hoewel de bekostigingssystematiek op hoofdlijnen goed werkt, kan deze in een aantal situaties tegen grenzen aanlopen. Hieronder licht ik dit per vraagstuk toe, te weten: 1. Druk op rijksbijdrage als gevolg van studentengroei en matching. 2. Geen (volledige) bekostiging voor tweedekans studenten. 3. Verdeling van middelen die (meer) recht doet aan taken en activiteiten van instellingen. Per onderdeel reik ik opties aan voor aanpassing van de bekostigingssystematiek of doe ik voorstellen voor vervolgonderzoek. Deze denkrichtingen zijn nader uitgewerkt in bijlage 3. Feiten en cijfers ter onderbouwing van de analyse zijn opgenomen in bijlage Druk op rijksbijdrage als gevolg van studentengroei en matching De rijksbijdrage van universiteiten bestaat uit een onderwijsdeel en een onderzoekdeel. Het hbo heeft in verhouding een relatief beperkte omvang van onderzoekmiddelen (ontwerp en ontwikkeling). Het onderwijsdeel wordt jaarlijks gecorrigeerd voor studentenaantallen, het onderzoekdeel niet. Een aanhoudende snelle en forse toename van studentenaantallen kan er voor zorgen dat de verwevenheid van onderwijs en onderzoek in het gedrang komt, omdat het onderzoekdeel van de rijksbijdrage niet toeneemt en het onderwijsdeel wel. Dit veroorzaakt een toenemende druk op (onderzoek)middelen en de inzet van wetenschappelijk personeel. Matchingsverplichtingen op verkregen 7 Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Wetenschappelijk onderzoek. Ministerie van Financiën, Rijksoverheid (2014).p.20-21: Bijdrage aan hoogwaardig wetenschappelijk onderwijs; De Goede, M., Hessels, L. 8 Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek De waarde(n) van weten), juli Pagina 3 van 28 onderzoeksmiddelen uit de tweede en derde geldstroom versterken de druk op het vrije onderzoeksbudget van universiteiten uit de eerste geldstroom. Hieronder licht ik deze punten nader toe. Ongelijke groei tussen onderwijsmiddelen en onderzoekmiddelen In de afgelopen tien jaar is het aantal studenten snel en fors toegenomen: in het wo met 24% en in het hbo met 22% (exclusief niet-eer studenten). Sinds 2000 wordt het onderwijsdeel jaarlijks financieel gecorrigeerd voor veranderingen in studentenaantallen. Dit is destijds besloten omdat de studentenaantallen explosief stegen waardoor de prijs per student aanzienlijk daalde. Het onderzoekdeel in het wo is als gevolg van de systematiek niet meegegroeid. Het aantal gewogen bekostigde studentinschrijvingen is in het wo in de afgelopen vijf jaar drie keer harder gestegen dan de rijksbijdrage. Het verschil wordt vooral verklaard door het onderzoekdeel van universiteiten dat een substantieel deel uitmaakt van de rijksbijdrage en niet meebeweegt. In het hbo volgt de rijksbijdrage de groei van het aantal studenten. Zie ook indicator 1.a in bijlage 2. Het onderzoekdeel in het wo bestaat voornamelijk uit vaste bedragen en is niet gekoppeld aan studentenaantallen. Dit waarborgt een zekere stabiliteit in de onderzoeksmiddelen. Het voorkomt bovendien dat voorkeuren voor studiekeuze sterk bepalend worden voor de omvang en de besteding van onderzoeksmiddelen door universiteiten. Tegelijkertijd is door de forse toename van studentenaantallen de verhouding tussen het onderwijsdeel en het onderzoekdeel verschoven. In het jaar 2000 was er nog sprake van een verhouding tussen onderwijs en onderzoek van 35/65. De afgelopen jaren is het onderwijsdeel harder gegroeid dan het onderzoekdeel waardoor de verhouding is verschoven naar 50/50 in Indicator 1.a in bijlage 2 toont dat in vijf jaar het onderwijsdeel in het wo is gegroeid met 5% en het onderzoek gelijk is gebleven (prijspeil 2016). Dankzij de succesvolle inzet van het in 2013 gesloten Techniekpact tussen werkgevers, werknemers, onderwijsinstellingen en de overheid, is de toename van studentenaantallen in het wo en het hbo de laatste jaren vooral sterk geweest bij bètatechnische opleidingen. 9 Het Techniekpact werpt zijn vruchten af en steeds meer studenten kiezen voor een bètatechnische opleiding. Technische Universiteiten groeien fors en ook bij de algemene universiteiten is er specifiek een grote groei te zien bij hun bètatechnische opleidingen. Ook in het hbo tekent zich de groei zich met name af in de richting van bètatechniek waaronder het groene onderwijs. Naar verwachting blijft de instroom in bètatechnische opleidingen de komende jaren hoog. Zo nam in de jaren het aandeel vwo-leerlingen toe dat kiest voor de profielen Natuur & Techniek en Natuur & Gezondheid. 10 De ontwikkeling van studentenaantallen en van het onderzoekdeel, verschilt sterk per universiteit. Indicator 1.1 toont deze ontwikkelingen per universiteit over de afgelopen vijf jaar. Instellingen met én een negatieve ontwikkeling van het onderzoekdeel, én een forse stijging van studentenaantallen ondervinden relatief gezien het meeste financiële nadeel. De verschillen in ontwikkeling van het onderzoekdeel van een universiteit worden verklaard door een samenspel van 9 Kamerstukken II 2012/13, 32637, Onderwijs in cijfers, profielkeuze in het vo. Pagina 4 van 28 verschillende factoren zoals het aandeel in de vaste voet, financiële penvoering voor een onderzoekconsortium namens meerdere instellingen, het aandeel in de promotiecomponent en het aantal behaalde graden. Bij Wageningen University speelt ook het zogenaamde afbufferen een rol bij het achterblijven van de ontwikkeling van het onderwijs- en onderzoekdeel ten opzichte van studentengroei. Wageningen University valt als enige groene universiteit onder het ministerie van Economische Zaken. De afbufferregeling is een afspraak waarbij de totale rijksbijdrage van Wageningen University per jaar maximaal 2% mag stijgen of dalen. De regel is bedoeld om al te sterke fluctuaties in de begrotingen van de instelling en het Ministerie van Economische Zaken te voorkomen. Bij de uitwerking van de denkrichtingen zal meer in het algemeen steeds goed moeten worden gekeken hoe het gewenste effect ook bereikt kan worden voor door Economische Zaken bekostigde instellingen. Indicator 1.1: Ontwikkeling studentenaantallen per universiteit in relatie tot onderzoekdeel van de rijksbijdrage (over de periode ) 60% 50% 40% Groei onderzoekdeel 30% 20% 10% 0% -10% UvA UvT UT UU RUG RU UM EUR TuD UL TuE WUR -20% Bron: De aantallen zijn afkomstig van DUO. De bedragen voor onderzoek zijn afkomstig van OCW. Het omrekenen naar prijspeil 2016 is gebeurd op basis van gegevens uit bijlage 8 MEV 2017 (prijs netto materiële overheidsconsumptie). Noot: De aantallen zijn exclusief niet-eer studenten en inclusief studenten in het groene onderwijs. De ontwikkeling van het aantal gewogen bekostigde inschrijvingen per universiteit is weergegeven bij indicator 1.b in bijlage 2. De bedragen voor onderzoek zijn exclusief bedragen voor internationale instellingen en het zwaartekrachtprogramma. Matchingsdruk Matchingsverplichtingen kunnen de druk op de rijksbijdrage bij universiteiten versterken. Groeiende studentenaantallen in combinatie met matchingsverplichtingen zet dan aan twee kanten druk op de onderzoeksmiddelen in de eerste geldstroom. Matchingsverplichtingen ontstaan wanneer middelen uit de rijksbijdrage worden gebruikt om de projectfinanciering uit andere geldstromen aan te vullen. Dit is nodig omdat de subsidies van NWO of de EU niet alle kosten dekken. Bovendien is een bepaald percentage cofinanciering vaak verplicht. De koppeling aan eerste geldstroommiddelen stimuleert daarbij de aansluiting op het onderzoeksprogramma van een universiteit. Aanvullende financiering kan ook Pagina 5 van 28 worden gevonden vanuit (incidentele) baten door samenwerking met publieke of met private partijen. In het rapport Chinese borden (2016) geeft het Rathenau Instituut aan dat de praktijk van het matchen van onderzoeksgeld een groot beroep doet op het onderzoeksbudget van de universiteiten. 11 Volgens deze analyse is uit de eerste geldstroom een bedrag van bijna miljoen euro nodig om de inkomsten uit de tweede en derde geldstromen te matchen. Vooral in natuur- en technische wetenschappen vormen matchingsverplichtingen een aanzienlijk bedrag omdat deze gebieden een relatief groot aandeel in de tweede geldstroom en inkomsten uit EU-middelen (derde geldstroom) hebben. Sociale en geesteswetenschappen zijn weer sterker vertegenwoordigd in de eerste geldstroom en minder in de tweede en veel minder in de derde geldstroom (EU-middelen). 12 Indicator 1.2 illustreert dit. In de natuur- en technische domeinen is de onderzoekscapaciteit van wetenschappelijk personeel vanuit de eerste geldstroom relatief laag vergeleken met de onderzoekscapaciteit in deze domeinen vanuit de tweede en derde geldstroom. Daarbij is er sprake van een neerwaartse trend in de uit de eerste geldstroom gefinancierde onderzoekscapaciteit gemeten in fte s bètatechniek en landbouw, en ook voor het alfa domein. Deze neerwaartse trend zet ook druk op het alfa domein te meer omdat in dit onderzoeksgebied reeds een relatief grotere afhankelijkheid is van de eerste geldstroom middelen, zoals indicator 1.2 hieronder laat zien. Gelijktijdig is er een opwaartse trend in capaciteit uit de tweede en derde geldstroom. Indicator 1.d in de bijlage toont hoe het aandeel van de onderzoekscapaciteit van wetenschappelijk personeel in de loop der jaren is ontwikkeld. Hogescholen geven aan dat de relatief beperkte omvang van onderzoekmiddelen in het hbo (de middelen voor ontwerp en ontwikkeling) matchingsdruk op praktijkgericht onderzoek veroorzaakt. Dit merken zij bijvoorbeeld wanneer ingezet wordt op deelname aan Europese subsidieprojecten in het kader van Horizon2020. De betrokkenheid van studenten bij praktijkgericht onderzoek is van groot belang voor de kwaliteit van het onderwijs, zoals ik ook heb benadrukt in de Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek De waarde(n) van weten Rathenau Instituut (2016). Chinese borden financiële stromen en prioriteringsbeleid in het Nederlandse universitaire onderzoek. 12 Rathenau Instituut (2016). Factsheet Rathenau R&D-uitgaven en capaciteit naar wetenschapsgebied. 13 Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek De waarde(n) van weten), juli Pagina 6 van 28 Indicator 1.2: Onderzoekscapaciteit Nederlandse universiteiten, naar wetenschapsgebied, in % van het totaal, op basis van fte, % 80% 60% 40% 20% 0% WP totaal WP 1 WP 2 WP 3 Natuurwetenschappen Landbouw Sociale wetenschappen Techniek Geneeskunde Humaniora Bron: VSNU/Kengetallen Universitair Onderzoek. Noot: WP 1 = wetenschappelijk personeel eerste geldstroom; WP 2 = wetenschappelijk personeel tweede geldstroom; WP 3 = wetenschappelijk personeel derde geldstroom. Zie ook de exacte percentages in tabel 1.c in bijlage 2. Om de matchingsdruk op Europese onderzoeksprojecten te verlichten, is financiële compensatie via de SEO-regeling (Stimulering Europees Onderzoek) beschikbaar. Vanaf 2015 is er via deze regeling 50 miljoen structureel beschikbaar gesteld om de matchingsdruk bij universiteiten, Universitair Medische Centra, hogescholen en onderzoekinstellingen te verlichten en de ruimte voor ongebonden onderzoek en het versterken van verwevenheid tussen onderwijs en onderzoek te vergroten. 14 Impact op universiteiten Scheefgroei tussen de onderwijs- en onderzoekmiddelen en druk op de onderzoeksbudgetten vanuit matching, kunnen zorgen voor knelpunten in de onderzoekscapaciteit, de ruimte voor investeringen in onderzoeksfaciliteiten en de vrije onderzoeksruimte. Zoals ook de KNAW aangeeft in het rapport Ruimte voor ongebonden onderzoek is de onevenwichtige financiering van onderwijs en onderzoek voor decanen een steeds groter wordend probleem, zeker bij de onderwijsintensieve faculteiten. 15 Het vormt een risico voor de goede balans tussen onderwijs- en onderzoekstaken van wetenschappelijk personeel en daarmee ook voor het kunnen aantrekken en behouden van wetenschappelijk talent. Dit trekt een wissel op de onderzoekspositie en heeft impact op het wetenschappelijke karakter van het onderwijs en op de werkdruk onder wetenschappelijk personeel. 16 Een stijgend aantal studenten per docent (student-staf ratio) in onderwijsintensieve sectoren met stijgende studentenaantallen zoals techniek, 14 De omvang van de toekenning van de SEO-regeling bedraagt in 2016 een percentage van 9% van de verworven middelen uit Horizon KNAW (2015). Ruimte voor ongebonden onderzoek. Signalen uit de Nederlandse wetenschap. Amsterdam, KNAW. 16 Onderzoek FNV op: https://www.fnv.nl/over-fnv/nieuws/nieuwsarchief/2017/januari/werkdruk-medewerkers-universiteitenongezond-hoog-2/. Onderzoek SP op: Onderzoek SoFoKles op: http
Similar documents
View more...
Search Related
We Need Your Support
Thank you for visiting our website and your interest in our free products and services. We are nonprofit website to share and download documents. To the running of this website, we need your help to support us.

Thanks to everyone for your continued support.

No, Thanks