Please download to get full document.

View again

of 12
All materials on our website are shared by users. If you have any questions about copyright issues, please report us to resolve them. We are always happy to assist you.

De tekst in onderstaand kader betreft de kenschets van het profielendocument van het habitattype.

Category:

Speeches

Publish on:

Views: 10 | Pages: 12

Extension: PDF | Download: 0

Share
Related documents
Description
Herstelstrategie H91D0: Hoogveenbossen Beije, H.M. & N.A.C. Smits Leeswijzer Dit document start met de kenschets uit het profieldocument (paragraaf 1) en geeft daarna een overzicht van de ecologische randvoorwaarden
Transcript
Herstelstrategie H91D0: Hoogveenbossen Beije, H.M. & N.A.C. Smits Leeswijzer Dit document start met de kenschets uit het profieldocument (paragraaf 1) en geeft daarna een overzicht van de ecologische randvoorwaarden van het habitattype (paragraaf 2). Vervolgens wordt ingegaan op de effecten van atmosferische stikstofdepositie op het habitattype (paragraaf 3) en op andere processen die de kwaliteit beïnvloeden (paragraaf 4). Vervolgens komen in paragraaf 5 en 6 maatregelen aan bod om de achteruitgang te stoppen, dan wel de kwaliteit te verbeteren. Deze maatregelen dienen in aanvulling op het reguliere beheer (paragraaf 2) te worden uitgevoerd. In paragraaf 7 worden maatregelen voor uitbreiding besproken en in paragraaf 8 komt de effectiviteit en duurzaamheid van de maatregelen aan bod. In paragraaf 9 worden de maatregelen in een overzichtstabel samengevat en het document wordt afgesloten met literatuurreferenties in paragraaf Kenschets De tekst in onderstaand kader betreft de kenschets van het profielendocument van het habitattype. Dit habitattype omvat relatief laag blijvende berkenbossen met dominantie van Zachte berk (Betula pubescens) in de boomlaag en een ondergroei die vooral bestaat uit veenmossen (Sphagnum soorten). Het zijn natte bossen ofwel zogenoemde berkenbroekbossen op veenbodems. Deze hoogveenbossen komen hier en daar voor in laagveengebieden, in hoogveengebieden, in beekdalen van de hogere zandgronden en in het rivierengebied. Ze vormen buiten het hoogveengebied plaatselijk mozaïeken met elzenbroekbos. Zulke boscomplexen worden dan helemaal bij dit habitattype H91D0 gerekend. Zowel de veenbossen van het laagveenstadium (met invloed van kwel) en het hoogveenstadium (uitgegroeid boven de invloed van het grondwater) behoren bij dit habitattype. Het onderscheid is soms niet goed te maken, vooral in gebieden op de overgang van hoogveen naar beekdalen. In laagveenlandschappen is het veenbos het eindstadium in de laagveenverlanding. In Hoogveengebieden komt het type van nature voor aan de randen, in de zogenoemde lagg-zone,en rondom beekjes of opduikingen van de minerale bodem in het hoogveen. In intacte hoogveensystemen van de West-Europese Atlantische laagvlakte komen geen bossen midden op het hoogveen voor. Op in het verleden verdroogde en/of vermeste hoogveenbodem kunnen echter wél bossen voorkomen. Die bossen op aangetaste hoogveenbodem horen niet bij de veenbossen van habitattype H91D0, maar maken deel uit van de herstellende hoogvenen van habitattype H7120 (zie aldaar). Bossen op veen in de duinen maken deel uit van duinbossen van habitattype H2180. De hoogveenbossen van dit habitattype maken plantensociologisch onderdeel uit van één verbond (het Betulion pubescentis). Het habitattype wordt aangetroffen op voedselarme, zure veengronden die permanent onder invloed staan van hoge grondwaterstanden. In het laagveengebied en rivierengebied gaat het meestal (nog) om gemeenschappen van het laagveenstadium en die zijn beschreven als de associatie Zompzegge-Berkenbroek (Caricicurtae-Betuletum pubescentis). Op de hogere Deel II 843 zandgronden is het hoogveenstadium meer aan de orde en dat is beschreven als associatie Dophei-Berkenbroek (Erico-Betuletum pubescentis). In de praktijk, op gebiedsniveau, is het onderscheid in deze associaties soms lastig te maken, vooral daar waar overgangen optreden van subtypen. In de Hoogveenbossen komt een soort voor van de Vogelrichtlijn waarvoor de stikstofgevoeligheid van het type een probleem kan vormen voor de kwaliteit van het leefgebied. Daarnaast zijn er twee typische soorten, waarvoor in dit habitattype mogelijke problemen als gevolg van stikstofdepositie worden verwacht. De specifieke effecten voor fauna worden beschreven in Deel I (paragraaf 2.4). Afhankelijk van het belang en de functie van dit habitattype voor de soorten, kunnen ook andere habitats noodzakelijke onderdelen van het leefgebied vormen. Voor een volledig overzicht van de deelhabitats, zie bijlage 1 en 2 van Deel II. Soortgroep VHR-soort belang en functie N-gevoeligheid van leefgebied Effecten van stikstofdepositie Vogels Korhoen Klein: foerageergebied mogelijk Afname kwantiteit voedselplanten (3) + afname prooibeschikbaarheid (6) Soortgroep Typische soort belang en functie Vogels Houtsnip Groot: voortplantingsen foerageergebied Vogels Matkop Groot: voortplantingsen foerageergebied N-gevoeligheid van Effecten van stikstofdepositie itie leefgebied Ja Afname prooibeschikbaarheid (6) ja Afname prooibeschikbaarheid (6) Voor een goed begrip van de onderstaande paragrafen, is het essentieel om uit te gaan van de definitie van het habitattype en zijn kwaliteitseisen (abiotische randvoorwaarden, samenstellende vegetatietypen, typische soorten en overige kenmerken van goede structuur en functie). Zie daarvoor het profielendocument (http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/documenten/profielen/habitattypen/profiel_habitat type_91d0.pdf). Zoals de profielbeschrijving meldt, behoren bossen op aangetaste hoogveenbodems niet tot het onderhavige habitattype H 91D0 hoogveenbossen, maar maken ze deel uit van de van habitattype H7120Herstellende hoogvenen. Dit betekent dat de doelstelling voor dergelijke bossen anders kan zijn dan voor hoogveenbossen en zo ook de bijbehorende maatregelen voor herstel. 2. Ecologische randvoorwaarden Voor de ecologische randvoorwaarden wordt uitgegaan van de omstandigheden van de subassociatie met Eenarig wollegras van het Dophei-Berkenbroek (40Aa01A), en twee subassociaties van het Zompzegge-Berkenbroek (40Aa02AB: subassociatie met Melkeppe en typische subassociatie), aangevuld met de subassociatie met Struikhei van het Dophei- Berkenbroek (40Aa01B; Stortelder et al. 1999). Deel II 844 2.1 Zuurgraad De optimale zuurgraad voor hoogveenbossen omvat voor de bovengrond alleen zure condities met een ph-h2o beneden 4,5. De ondergrond mag ook een ph-h2o hebben tussen 4,5 en 5,5. Er is geen aanvullend bereik met suboptimale omstandigheden geformuleerd voor het habitattype (Runhaar et al. 2009). 2.2 Voedselrijkdom Het habitattype is afhankelijk van zeer tot matig voedselarme omstandigheden in de bovengrond. Vooral in het vegetatietype Dopheide-Berkenbroek vindt nauwelijks N- en P-mineralisatie plaats (Stortelder et al. 1998). In het laagveen- en rivierenlandschap is het Zompzegge-Berkenbroek meestal de associatie die een goede kwaliteit van het habitattype indiceert. Voor deze associatie mag de ondergrond ook licht tot matig voedselrijk zijn. Evenals voor de zuurgraad, is voor de voedselrijkdom geen aanvullend bereik geformuleerd (Runhaar et al. 2009). 2.3 Vochttoestand Het kernbereik van de vochttoestand omvat de vochtklassen zeer nat en nat met een gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) tussen 5 cm boven tot 25 cm beneden maaiveld. Daarbij is geen rekening gehouden met het vegetatietype berkenbossen op irreversibel verdroogd veen (drogere vormen van de subassociatie van het Dophei-Berkenbroek met struikhei), die ook in de vochtklassen zeer vochtig en vochtig kunnen voorkomen. Suboptimaal (aanvullend bereik) voor het habitattype zijn de vochtklassen s winters inunderend (GVG 5-20 cm +mv) en zeer vochtig (GVG cm mv; Runhaar et al. 2009). 2.4 Landschapsecologische processen De permanent hoge grondwaterstanden die nodig zijn voor het habitattype worden gestuurd door kwel, zijdelingse toevoer van oppervlaktewater en/of stagnerende lagen in de bodem, die het wegzakken van regenwater tegenhouden. In het laagveenstadium zijn vooral toevoer van gronden oppervlaktewater aan de orde, waardoor tevens enige aanvoer plaatsvindt van zuurbufferende stoffen en voedingsstoffen. De invloed van voedselrijk oppervlaktewater neemt in de loop van de tijd af. In het hoogveenstadium kunnen kwel en toevoer van oppervlaktewater eveneens een rol spelen bij het handhaven van een permanent hoge grondwaterstand, maar dit (aangerijkt) water bereikt niet de wortelzone. De voedingsstoffen voor veenbossen in het hoogveenstadium worden voor het grootste deel aangevoerd via de neerslag. Door natuurlijke successie gaat in principe het laagveenstadium op termijn over in het hoogveenstadium. Voor het voortbestaan en voor de natuurlijke ontwikkeling van hoogveenbossen is het noodzakelijk dat vanuit de omgeving voldoende kwel of toevoer van oppervlaktewater kan plaatsvinden en dat stagnerende bodemlagen intact blijven. Daarbij is ook de waterkwaliteit van groot belang. Deze moet mineraalarm zijn. Herstelmaatregelen voor hoogveenbossen kunnen in principe interfereren met de randvoorwaarden die gelden voor andere habitattypen in de naaste omgeving, waarbij herstelmaatregelen voor hoogveenbossen in de regel een positieve uitwerking op de andere typen hebben. Het omgekeerde zal ook het geval zijn, aannemende dat de deels verschillende eisen die de typen stellen vooral ten aanzien van de peilfluctuatie van het grondwater meestal geen problemen opleveren vanwege hun verschillende ligging in het landschap. Het is wel zinvol om dit in concrete gevallen te toetsen. Behalve ruimtelijk relaties heeft het habitattype ook temporele relaties met andere typen. Hoogveenbossen ontwikkelen zich doorgaans door spontane successie Deel II 845 vanuit (verzurend) elzenbroek. Binnen het habitattype gaat het Zompzegge-Berkenbroek op lange termijn meestal over in het Dophei-Berkenbroek, hoewel het omgekeerde ook kan voorkomen zoals in vennen waar gebiedsvreemd water wordt ingelaten ten behoeve van viskweek (Stortelder et al. 1999). Zie ook de informatie uit de landschapsdoorsneden (Deel III). 2.5 Regulier beheer Het habitattype vergt geen inwendig beheer. Het uitwendig beheer streeft naar het vasthouden van regenwater en het vermijden van verdroging en eutrofiëring. De standplaatsen moeten voldoende geïsoleerd blijven van voedselrijk oppervlakte- en grondwater. Het type is te kwetsbaar voor commerciële exploitatie en is ongeschikt voor begrazing. Ontoereikend regulier beheer wordt niet apart onder paragraaf 4, 5 of 6 behandeld. 3. Effecten van stikstofdepositie De kritische depositiewaarde voor hoogveenbossen is vastgesteld op 1800 mol N/ha/jr (25 kg N/ha/jr). Dit getal is gebaseerd op expert-oordeel naar aanleiding van enerzijds de gemiddelde uitkomst van een rekenmodel waarmee kritische depositiewaarden zijn (Van Dobben et al. 2012) en anderzijds de zeer lage kritische depositiewaarde voor actieve hoogvenen (H7110). Er is geen empirische range voor dit bostype opgenomen in Bobbink & Hettelingh (2011). 3.1 Verzuring De zure standplaatscondities worden deels door de vegetatie zelf bepaald, omdat de veenmossen waterstofionen uitwisselen tegen andere kationen waardoor de directe omgeving van het veenmos verzuurt. Vooral relatief eutrafente veenmossoorten zoals Sphagnum squarrosum zijn in staat hun omgeving door uitwisseling van H-ionen sterk te verzuren. Bij verhoogde stikstofdepositie wordt dit effect door uitwisseling met ammonium nog versterkt (Kooijman 1993d). Dit suggereert dat de nieuwvorming van hoogveenbossen vanuit voorgaande successiestadia zich tegenwoordig sneller zou kunnen voltrekken dan onder situaties zonder verhoogde depositie. Of stikstofdepositie ook in bestaande hoogveenbossen verzurende effecten met zich meebrengt, is niet bekend. 3.2 Vermesting In bestaande hoogveenbossen zorgen zeer voedselarme omstandigheden in de bovengrond ervoor dat de groeisnelheid van de berken gering is. Volgens de profielbeschrijving van het habitattype leidt dit tot een type bos waarin de bomen van nature laag blijven en ver uit elkaar staan, wat gunstig is voor de ontwikkeling van de ondergroei. Waarschijnlijk zijn hoogveenbossen zeer gevoelig voor stikstofdepositie in verband met vermesting. Voor hoogveenvegetaties wordt aangenomen dat depositieniveaus beneden 5-10 kg N/ha/jaar geheel worden opgenomen door de veenmossen (Lamers et al. 2000). Bij hogere depositieniveaus wordt de resterende stikstof niet meer door het veenmospakket opgenomen en komt dan beschikbaar voor hogere planten. Vooral bomen profiteren hiervan zoals berken (althans in combinatie met de hoge fosfaatconcentraties in Nederlandse hoogvenen) evenals Pijpenstrootje (Tomassen et al. 2003). De sterke beschaduwing die hiervan het gevolg is, is waarschijnlijk nadelig voor veel soorten in de Deel II 846 ondergroei, waardoor de kwaliteit van het habitattype afneemt (Limpens 2009). Hoewel de desbetreffend onderzoeken alle betrekking hadden op hoogveenvegetaties, lijken de genoemde effecten ook relevant voor hoogveenbossen vanwege hun sterke gelijkenis met hoogvenen. 3.3 Fauna Voor het leefgebied van VHR en/of typische diersoorten geldt dat de effecten van stikstofdepositie via de volgende factoren doorwerken: afname kwantiteit voedselplanten en afname prooibeschikbaarheid. Een uitsplitsing van deze factoren naar de onderscheiden soorten is terug te vinden in de kenschets en een beschrijving van de specifieke factoren is terug te vinden in paragraaf 2.4 van Deel I. Over de fauna van Hoogveenbossen is zeer weinig bekend. Echter, wanneer vermesting in dit habitattype zoals hierboven beschreven leidt tot versnelde groei van berken en hoge grassen (voornamelijk Pijpenstrootje), zal dit waarschijnlijk een afname van insecten tot gevolg hebben. Dit valt af te leiden uit fauna-onderzoek in hoogvenen (Van Duinen et al. 2008). 4. Andere omstandigheden die de effecten van stikstof- depositie beïnvloeden 4.1 Verdroging Verdroging is naast stikstofdepositie - een veel voorkomend probleem in hoogveenbossen. Als gevolg hiervan treedt versterkte mineralisatie op van het veenpakket en dus een toename van de voedselrijkdom. Dit heeft dezelfde gevolgen als stikstofdepositie: versterkte boomgroei in een bostype dat van nature een ijl karakter zou moeten hebben en daarnaast verruiging van de ondergroei met vooral pijpenstrootje, waardoor de soortenrijkdom van de ondergroei afneemt. In laagveengebieden kan door verdroging (en depositie) ook braam sterk toenemen. Het lijkt erop dat de effecten van stikstofdepositie en verdroging zichzelf en elkaar zelfs versterken. De toename van berken en pijpenstrootje door depositie en verdroging zorgt immers voor een toename van de verdamping, waardoor de verdroging verder toeneemt. Alleen in de jonge fase van een hoogveenbos waarin de bomen lager zijn dan 2 meter kan tijdelijk een omgekeerd effect ontstaan. In dit geval leidt beschaduwing van de berken tijdelijk tot een daling van de verdamping door het veenmosdek die netto hoger is dan de verdamping door de berken. Deze balans wordt negatief wanneer de bomen groter worden; de netto verdamping door berken is dan groter dan de afname in verdamping door de mossen (Limpens 2009). Een andere kettingreactie als gevolg van verdroging heeft te maken met de toevoer van fosfor. Een dichtere boomlaag die het gevolg is van verdroging zorgt waarschijnlijk voor een grotere toevoer van fosfor via het bladstrooisel. De (co-)limitatie van fosfaat wordt hierdoor mogelijk verminderd waardoor het vermestend effect van stikstofdepositie sterker zou kunnen worden. Vooralsnog is dit effect niet bewezen, al is wel duidelijk dat de jaarlijkse bladval van berken de beschikbaarheid van fosfor voor de ondervegetatie belangrijk doet toenemen. Berken werken als een nutriëntenpomp voor fosfor (Limpens 2009). Deel II 847 4.2 Randeffecten Er is een duidelijk verschil tussen de depositie op de bosrand ten opzichte van de kern van het bosperceel. Algemeen wordt het verloop van dit effect beschreven met een exponentieel afnemende curve (De Schrijver et al. 2007a). Belangrijk hierbij is dat er een opmerkelijk verschil in bosrandeffecten gevonden wordt tussen loof- en naaldbossen. De hogere N-depositie in naaldbossen dan in naburige loofbossen (De Schrijver et al. 2007b) is nog sterker uitgesproken in de bosrand dan in de boskern (o.a. Wuyts 2009). Door Wuyts is ook onderzoek gedaan naar de vormgeving van de bos rand in relatie tot invang van stikstof. Hierbij werd aangetoond dat een geleidelijk opgaande bosrand leidt tot een significante verlaging van de depositie in de kern in vergelijking met een bosrand met een abrupte overgang in vegetatiehoogte (Wuyts et al. 2009). 4.3 Voormalige zwaveldepositie en andere sulfaatbelasting De effecten van voormalige zwaveldepositie en andere sulfaatbelasting in dit habitattype worden verder toegelicht in Intermezzo II van Deel I. 5. Maatregelen tegen de effecten van stikstofdepositie In de literatuur zijn weinig of geen ervaringen beschreven met het herstel van hoogveenbossen. Op grond van ecologische kennis van dit habitattype kunnen daarvoor wel enkele vuistregels of hypothesen worden gegeven. Alleen situaties waarin een (waarschijnlijke) invloed van depositie herkenbaar is in de vorm van dichte vegetaties met Pijpenstro of braam, komen in aanmerking voor herstelmaatregelen. De desbetreffende maatregelen worden hierna beschreven. Aangezien verdroging waarschijnlijk een belangrijker oorzaak is van dominantie van Pijpenstrootje en/of bramen, zal in een volgende paragraaf nog worden ingegaan op maatregelen voor functioneel herstel van het habitattype. Hoogveenbossen met een goed ontwikkelde moslaag van veenmossen die veenvorming bewerkstelligen, dienen met rust te worden gelaten. 5.1 Dunnen Een potentiele herstelmaatregel is het actief verwijderen van stikstof uit het systeem via het afvoeren van biomassa. Hiertoe zouden hoogveenbossen periodiek gedund kunnen worden. De afvoer van stikstof is het grootst als de gekapte bomen, inclusief takken en bladeren worden afgevoerd. Daarnaast kan door dunning worden bewerkstelligd dat de beschaduwing van de ondervegetatie afneemt en de aanvoer van extra voedingsstoffen via bladval enigszins wordt beperkt. Ook de extra verdamping kan men verminderen door dunning, hetgeen vooral van belang is in situaties waar het moeilijk is om de waterhuishouding voldoende te herstellen (zie hierna). Dit samen kan wellicht bijdragen aan een verbetering van de kwaliteit van het habitattype. Aangezien de bodem van Hoogveenbossen gemakkelijk wordt beschadigd, is het van groot belang dat het verwijderen van bomen in Hoogveenbossen niet gebeurt met zware machines of dat anderszins bodemverwondig optreedt. Dit kan namelijk leiden tot beschadiging van het veen, en dus versnelde mineralisatie en meer vestigingsmogelijkheden voor Pijpenstrootje, bramen en andere ongewenste soorten. Deel II 848 6. Maatregelen gericht op functioneel herstel 6.1 Hydrologisch H herstel h Op veel locaties zorgt verdroging voor een voortgaand proces van voedselverrijking via mineralisatie van het veen. Door herstel van de hydrologie kan men deze voedselverrijking stopzetten en daarnaast eraan bijdragen dat de bestaande stikstofvoorraad afneemt doordat de denitrificatie toeneemt in nattere omstandigheden. Daardoor verdwijnt stikstof die in de bodem aanwezig naar de atmosfeer. Het gaat daarbij niet alleen om stikstof die is vrijgekomen door mineralisatie van het veen, maar ook om stikstof uit depositie. Behalve dat hydrologisch herstel de voedselverrijking tegengaat waardoor de ondergroei kan herstellen, neemt bij hogere waterstanden ook de boomgroei af (zie effecten dunnen). Om de waterhuishouding te herstellen, kan het afhankelijk van de lokale situatie, nodig zijn om de interne ontwatering (sloten, greppels) te verwijderen of te verminderen. Daarnaast kan het ook nodig zijn om grondwaterstanden te verhogen in de omgeving van het habitattype, bijvoorbeeld door in het infiltratiegebied naaldhoutbebossingen te vervangen door lage vegetaties. Op plaatsen waar de grondwaterkwaliteit te voedselrijk is of op termijn wordt bedreigd, is het van belang om voedselverrijking bij de bron aan te pakken. In het laagveengebied zijn ook isolerende maatregelen aan de orde die voedselrijk oppervlaktewater tegenhouden en regenwater vasthouden. Herstel van de waterhuishouding is vooral van belang op plaatsen waar de hoogveenbossen een matige kwaliteit hebben en bestaan uit rompgemeenschappen die zijn genoemd in de profielbeschrijving van het type. Op plaatse
Similar documents
View more...
Search Related
We Need Your Support
Thank you for visiting our website and your interest in our free products and services. We are nonprofit website to share and download documents. To the running of this website, we need your help to support us.

Thanks to everyone for your continued support.

No, Thanks