Please download to get full document.

View again

of 13
All materials on our website are shared by users. If you have any questions about copyright issues, please report us to resolve them. We are always happy to assist you.

Gebiedsontwikkeling Groote Haar, gemeente Gorinchem

Category:

Philosophy

Publish on:

Views: 6 | Pages: 13

Extension: PDF | Download: 0

Share
Related documents
Description
Gebiedsontwikkeling Groote Haar, gemeente Gorinchem Voorlopig toetsingsadvies over het milieueffectrapport 12 april 2016 / projectnummer: Oordeel over het Milieueffectrapport De gemeente Gorinchem
Transcript
Gebiedsontwikkeling Groote Haar, gemeente Gorinchem Voorlopig toetsingsadvies over het milieueffectrapport 12 april 2016 / projectnummer: 3096 1. Oordeel over het Milieueffectrapport De gemeente Gorinchem en de gemeente Giessenlanden hebben gezamenlijk het initiatief genomen voor de gebiedsontwikkeling Groote Haar. Deze gebiedsontwikkeling bestaat uit de realisatie van 62,5 hectare bedrijventerrein (waarvan 37 hectare netto), 3 windturbines en een verbindingsweg met aansluiting op de A27. Voor de initiatieven worden drie bestemmingsplanprocedures gevolgd, waarvoor de gemeenteraad van Gorinchem (bedrijventerrein en windturbines) en de gemeenteraad van Giessenlanden (verbindingsweg en aansluiting A27) het bevoegd gezag zijn. Voor de besluitvorming over de bestemmingsplannen 1 wordt één plan-m.e.r.-procedure doorlopen. In dit advies spreekt de Commissie voor de milieu- effectrapportage (hierna de Commissie ) 2 zich uit over de juistheid en de volledigheid van het MER. Het MER geeft een beschrijving van de voorgenomen ontwikkelingen en enkele alternatieven die relatief weinig onderscheidend zijn van het voornemen. De effecten van het voornemen en de alternatieven zijn beschreven en beoordeeld aan de hand van kwalitatieve criteria per milieuthema. De effectentabel in de samenvatting van het MER geeft een overzichtelijk beeld van deze effectbeoordeling. Hieruit blijkt dat de voorgenomen ontwikkelingen op meerdere milieuthema s (voornamelijk geluid, landschap & cultuurhistorie, luchtkwaliteit en natuur) tot negatieve gevolgen leiden. De Commissie constateert dat in het MER informatie ontbreekt die naar haar oordeel essentieel is voor de besluitvorming over de bestemmingsplannen. Het gaat om de volgende punten: De afbakening van redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieven voor het bedrijventerrein is onvoldoende onderbouwd op basis van de behoefte aan bedrijventerreinen en een afweging van potentiële locaties. In het MER ontbreekt een beschouwing van de (cumulatieve) gevolgen voor de kwaliteit van de leefomgeving en de gezondheidssituatie in het studiegebied. De geluidbelasting ten gevolge van de voorgenomen ontwikkelingen is onvolledig beschreven en er is onvoldoende aandacht besteed aan mogelijkheden om de geluidbelasting op de omgeving te beperken. De landschappelijke effecten van het voornemen zijn onderschat en op een te beperkt schaalniveau beschreven en beoordeeld. De effecten op Natura 2000-gebieden, het weidevogelleefgebied en beschermde soorten zijn onvoldoende beschreven waardoor conflicten met natuurwetgeving en beleid niet zijn uitgesloten. 1 De bestemmingsplanprocedures voor het bedrijventerrein en de windturbines vallen onder de experimentenstatus van de Crisis- en Herstelwet. Dit betekent dat een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte kan worden vastgesteld. De Commissie constateert dat deze verbrede reikwijdte voornamelijk tot uitdrukking komt in de planperiode, die 20 jaar is in plaats van de gebruikelijke 10 jaar. 2 De samenstelling van de werkgroep van de Commissie m.e.r., haar werkwijze en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies. -1- De Commissie adviseert om een aanvulling op het MER op te stellen, waarin bovenstaande tekortkomingen worden verholpen, voordat de besluiten over de bestemmingsplannen worden genomen. Verder vraagt de Commissie aandacht voor de wijze waarop in het MER met het aspect duurzaamheid is omgegaan. De effecten van het voornemen en de alternatieven zijn onder andere beoordeeld op het thema duurzaamheid, omdat wordt beoogd een duurzaam bedrijventerrein te realiseren. Deze beoordeling is echter niet uitgevoerd ten opzichte van de referentiesituatie, maar ten opzichte van de realisatie van een bedrijventerrein zonder duurzaamheidsmaatregelen. Dit geeft een beeld van het effect van het duurzaamheidsbeleid van de gemeente, maar niet van de werkelijke effecten van het bedrijventerrein ten opzichte van het huidige (voornamelijk agrarische) gebruik van het plangebied. De Commissie adviseert om hier in de besluitvorming rekening mee te houden. 2. Gesignaleerde tekortkomingen In dit hoofdstuk licht de Commissie haar oordeel toe en doet zij aanbevelingen voor de op te stellen aanvulling. Deze aanbevelingen zijn opgenomen in een tekstkader. Naar het oordeel van de Commissie is het uitvoeren ervan essentieel om het milieubelang volwaardig mee te kunnen wegen bij de besluitvorming. 2.1 Voornemen en alternatieven De planvorming voor het bedrijventerrein Groote Haar kent een lange voorgeschiedenis. Na een start van de planontwikkeling in 2007 is in 2011 het bestemmingsplan Gorinchem- Noord in procedure gebracht, dat echter deels vernietigd is door de Raad van State. De lange voorgeschiedenis brengt met zich mee dat in diverse structuurvisies en plannen al uitgegaan is van de realisatie van een bedrijventerrein op deze locatie. Dit neemt niet weg dat in het kader van de ruimtelijke planvorming een onderbouwing van de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie nodig is. Een belangrijk doel van een m.e.r.-procedure is namelijk het vergelijken van redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieven. Om de scope voor mogelijke alternatieve oplossingsrichtingen te kunnen bepalen, is het nodig de doelstelling(en) van een voorgenomen ontwikkeling duidelijk af te bakenen. In het geval van het bedrijventerrein Groote Haar betekent dit, dat in het MER vooral een onderbouwing nodig is van de behoefte waarin het voornemen voorziet, en van de locatie. Ter onderbouwing van het nieuwe bedrijventerrein is in het voorontwerp-bestemmingsplan de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. 3 Voor de onderbouwing van de 3 Deze ladder, vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (2012), verplicht overheden er toe bepaalde ruimtelijke plannen te motiveren volgens een aantal stappen waarin de volgende vragen beantwoord moeten worden: a) is er sprake van een actuele regionale behoefte? b) is (een deel van) de behoefte op te vangen binnen bestaand stedelijk gebied c) is er een nieuwe locatie die multimodaal ontsloten kan worden voor de resterende behoefte? -2- regionale behoefte wordt onder andere verwezen naar de Bedrijventerreinenstrategie Alblasserwaard/Vijfheerenlanden, die in 2012 is opgesteld en in 2015 is geactualiseerd. Deze onderbouwingen worden gebruikt als uitgangspunt voor de te onderzoeken alternatieven in het MER. De Commissie is van oordeel dat hiermee de afbakening van redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieven mede gezien de potentiële milieueffecten van het onderhavige voornemen (zie 2.2 en verder) - nog niet voldoende is onderbouwd: Uit de bedrijventerreinenstrategie blijkt dat het aanbod aan potentiële locaties voor bedrijventerreinen de vraag tot 2040 ruim overstijgt. Naast de locatie Groote Haar zijn binnen de regio verschillende andere potentiële locaties beschikbaar (tabel 3). De Commissie mist in het MER een beschrijving van de afweging over de locatie Groote Haar ten opzichte van andere potentiële locaties en de rol die het milieubelang daarbij inneemt. De regionale bedrijvenstrategie richt zich uitsluitend op de regio Alblasserwaard/Vijfheerenlanden. Voor een relatief groot bedrijventerrein dat ruimte moet bieden aan diverse categorieën bedrijven op (boven)regionaal schaalniveau ligt het voor de hand ook de behoefte en beschikbaarheid in een groter gebied te bekijken, waaronder beschikbare ruimte in en nabij Dordrecht (Dordtse Kil), Moerdijk en de Bommelerwaard. Ook mist de Commissie een beschouwing van mogelijkheden voor herstructurering en efficiënter gebruik van bestaande bedrijventerreinen in de regio, waaronder het bestaande bedrijventerrein in Arkel en kleine terreinen langs de Linge. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER: de doelstellingen en de scope van de voorgenomen realisatie van het bedrijventerrein te verduidelijken; op basis daarvan de afbakening van alternatieven in het MER nader te onderbouwen, rekening houdend met bovenstaande kanttekeningen. 2.2 Effectbepaling en beoordeling (algemeen) De effecten van het voornemen en alternatieven zijn in het MER beschreven en beoordeeld aan de hand van verschillende criteria. Deze effectbeoordeling is kwalitatief. De vele bijlagen bij het MER en de (voorontwerp) bestemmingsplannen bevatten wel kwantitatieve informatie, maar deze is niet herkenbaar gebruikt bij de beoordeling van de effecten en de vergelijking van de alternatieven. Uit de effectbeoordeling volgt dat voor verschillende milieuaspecten negatieve effecten verwacht kunnen worden. Het bestemmingsplan voor het bedrijventerrein maakt veel verschillende typen bedrijven mogelijk uit diverse milieucategorieën tot maximaal categorie , wat kan leiden tot sterk uiteenlopende milieueffecten. Het MER stelt dat uitgegaan is van de worst case, maar geeft geen duidelijk beeld van het type bedrijven waaruit deze worst case situatie die per milieuaspect verschillend is - zou kunnen bestaan. Door deze onzekerheid en door het ontbreken van kwantitatieve informatie is de aard en omvang van deze effecten 4 Het (voorontwerp) bestemmingsplan maakt overigens niet alle bedrijven in die categorie mogelijk omdat op het gebied van externe veiligheid en geluid aanvullende beperkingen zijn opgenomen. -3- niet goed in te schatten. Juist vanwege de onzekerheid over de invulling van het bedrijventerrein is het volgens de Commissie nodig een duidelijke en navolgbare beschouwing in het MER op te nemen over de mogelijke gevolgen in meer algemene zin, mede op basis van cumulatie van verschillende milieueffecten. Voor de besluitvorming is niet alleen relevant of aan milieunormen kan worden voldaan, maar ook in hoeverre de kwaliteit van de leefomgeving in het studiegebied negatief beïnvloed kan worden. Negatieve effecten kunnen, ook als deze binnen de normen blijven, relevant zijn voor de kwaliteit van de leefomgeving en de gezondheid. 5 Dit geldt zeker als effecten in cumulatie optreden. 6 De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER een nadere beschouwing op te nemen van de (bandbreedte in) mogelijke gevolgen van het voornemen en daarbij specifiek in te gaan op de kwaliteit van de leefomgeving en de gezondheid in het studiegebied. Voor zover er sprake is van mogelijke aanzienlijke gevolgen, adviseert de Commissie aan te geven welke maatregelen genomen worden en/of achter de hand gehouden worden om deze gevolgen te voorkomen of te verzachten. 2.3 Geluid Beschrijving en beoordeling (cumulatieve) geluideffecten In het MER zijn de mogelijke geluideffecten van het bedrijventerrein, de windturbines en het wegverkeer afzonderlijk beschreven, mede aan de hand van akoestische onderzoeken. Daarnaast is de cumulatieve geluidbelasting van het voornemen en alternatieven in beeld gebracht. De Commissie plaatst hierbij de volgende opmerkingen: In de beschrijving van de referentiesituatie is geen aandacht besteed aan de Haarweg aan de zuidkant van het plangebied. Het is onduidelijk of de geluidbelasting door de A15, de Betuwelijn en de Haarweg zelf zijn meegenomen in de referentiesituatie. De geluidbelasting vanwege het industrieterrein is alleen bij de woningen aan de zuidkant van het industrieterrein berekend. De woningen aan de noordkant liggen weliswaar op grotere afstand, maar aan deze zijde zijn wel de zwaarste milieucategorieën toegestaan. Bovendien zal het referentieniveau van het omgevingsgeluid hier waarschijnlijk lager zijn en is het de vraag of alle woningen als gemengd gebied kunnen worden aangemerkt. Er zijn in het MER geen geluidcontouren gepresenteerd die inzicht geven in de geluidbelasting aan deze zijde van het industrieterrein. Het MER geeft inzicht in de hoogste geluidbelasting op woningen, maar niet in het aantal geluidgevoelige bestemmingen per geluidklasse en het aantal geluidgehinderden en slaapverstoorden. Daardoor is de kwaliteit van de leefomgeving in de referentiesituatie en bij de verschillende alternatieven niet eenvoudig af te leiden en te vergelijken (zie ook 2.2 van dit advies). 5 Voor gezondheid zijn voornamelijk de aspecten geluid, geur, luchtkwaliteit en externe veiligheid van belang, Voor de kwaliteit van de leefomgeving zijn daarnaast aspecten als landschap (visuele hinder) en verkeersveiligheid zeer relevant. Verkeersveiligheid is in dit geval specifiek van belang vanwege de aanwezigheid van fietsroutes voor grote aantallen schoolgaande jeugd. 6 Voor gezondheid kan daarbij bijvoorbeeld gedacht worden aan geurhinder en stof van bedrijven in de hogere milieucategorieën, zoals een vetsmelterij, een visverwerkingsbedrijf of een puinbreker. -4- De cumulatie van geluidbelasting is weliswaar in tabelvorm gepresenteerd, maar een beoordeling van deze effecten (per alternatief) ontbreekt. In de betreffende paragraaf (7.4) wordt gesteld dat verhoogde geluidbelastingen in alle gevallen samenhangen met autonome ontwikkelingen. Dit spoort echter niet met de tabel zelf, die voor verschillende woningen een toename laat zien tot maximaal ruim 5 db(a). Hiermee kan niet gesproken worden van beperkte geluidhinder. In het akoestisch onderzoek voor het MER en het voorontwerp bestemmingsplan is niet uitgegaan van (oppervlakte gecorrigeerde equivalente) bronvermogens die representatief zijn voor de geplande milieucategorieën, maar zijn, uitgaande van een grenswaarde van 55 db(a) etmaalwaarde (zie ook van dit advies), bronvermogens vastgesteld die per milieucategorie maximaal toelaatbaar zijn. Daarnaast is een gebruiksregel opgenomen (artikel ) op basis waarvan hogere bronvermogens voor bedrijven zijn toegestaan, mits voldoende geluidruimte overblijft voor de andere bedrijven en het totale bronvermogen per milieucategorie niet wordt overschreden. Het is onduidelijk welke gevolgen deze uitzondering kan hebben voor de (maximale) geluidbelasting ten gevolge van het industrieterrein. Dit komt mede omdat onduidelijk is waar zich welke bedrijven zullen vestigen, hoe het akoestisch zwaartepunt kan verschuiven en hoe dit wordt geborgd Afweging ten aanzien van industrielawaai Het bestemmingsplan voor het bedrijventerrein maakt zoals gezegd bedrijven mogelijk uit diverse milieucategorieën tot maximaal categorie 5.2. Omdat op voorhand geen beperkingen gelden voor deze bedrijven, is in het MER in eerste instantie uitgegaan van een invulling met bedrijven die leiden tot maximale geluideffecten. Dit bleek te leiden tot overschrijdingen van grenswaarden. 7 Vervolgens is als uitgangspunt een grenswaarde van 55 db(a) aangehouden en is geanalyseerd welke bronvermogens voor de invulling van het terrein maximaal toelaatbaar zijn. Uit het MER blijkt niet hoe de toelaatbare bronvermogens zich verhouden tot de voor de betreffende categorieën representatieve bronvermogens en dus ook niet wat deze beperking van de bronvermogens betekent voor de beoogde invulling van het bedrijventerrein. De grenswaarde van 55 db(a) etmaalwaarde is blijkens het akoestisch onderzoek gebaseerd op stap 3 van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering, uitgaande van het gebiedstype gemengd gebied. Door deze relatief hoge grenswaarde als uitgangspunt te hanteren is te gemakkelijk voorbijgegaan aan stap 2 van de VNG-publicatie met een richtwaarde van 50 db(a) etmaalwaarde voor woningen in het gebiedstype gemengd gebied. Een hogere geluidbelasting kan alleen worden toegestaan, indien deze op basis van een bestuurlijke afweging noodzakelijk en acceptabel wordt geacht. 8 Hierbij dient ook de cumulatie met de reeds aanwezige geluidbelasting te worden betrokken. De Commissie constateert dat deze 7 Deze werkwijze is niet in het MER beschreven, maar blijkt uit een mondelinge toelichting van (adviseurs van) de gemeente Gorinchem tijdens het bezoek dat de Commissie aan het plangebied heeft gebracht. 8 Dit geldt ook als voor de beoordeling aansluiting zou worden gezocht bij de geluidnormen van de Wet geluidhinder voor gezoneerde industrieterreinen, Voor deze terreinen, bestemd voor grote lawaaimakers, geldt een voorkeursgrenswaarde van 50 db(a) en kan op basis van een bestuurlijke afweging eventueel een hogere grenswaarde worden vastgesteld. -5- afweging in het voorontwerp bestemmingsplan ontbreekt, en dat in het MER geen alternatieven of maatregelen zijn uitgewerkt voor het bedrijventerrein, waarin wordt voldaan aan de richtwaarde conform stap 2 van voornoemde VNG-publicatie. Dit maakt het niet mogelijk om op basis van het MER een bestuurlijke afweging te maken, waarin het aspect geluidhinder volwaardig wordt meegewogen. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER: 2.4 Landschap de beschrijving en beoordeling van de (maximale en cumulatieve) effecten aan te vullen op basis van de kanttekeningen in van dit advies; een beschouwing op te nemen over de consequenties van de reeds opgelegde emissiebeperkingen, de mogelijkheden om de geluidbelasting verder te beperken, dan wel de noodzaak en aanvaardbaarheid van de in het (voorontwerp) bestemmingsplan opgenomen geluidbelasting nader te onderbouwen. Het MER geeft een goed beeld van de huidige situatie en autonome ontwikkeling van het plangebied ten aanzien van landschappelijke waarden en kwaliteiten, maar op onderdelen een minder goed beeld van de effecten van het voornemen op het landschap. De effecten worden beschreven en beoordeeld aan de hand van de genoemde kwaliteiten en mede op basis van visualisaties. Bij de beoordeling van de effecten van de windturbines wordt gesteld dat deze een niet noemenswaardig fysiek effect hebben op basis van de volgende argumenten: Aangezien deze elementen zich losmaken van de maat en schaal van het landschap en wat betreft oriëntatie passen binnen het landschap. Omdat het solitaire elementen zijn die onderdeel vormen van de grens van de stedenband. De openheid wordt hierdoor niet direct aangetast. De Commissie is van oordeel dat de landschappelijke effecten van de windturbines hiermee onderschat worden. Bovendien legt de effectbeschrijving van de windturbines en het bedrijventerrein onvoldoende de koppeling met de grotere schaal van de verstedelijkte zone langs de Merwede en met het Groene Hart. Door de realisatie van het bedrijventerrein en de windturbines schuift het verstedelijkte gebied feitelijk het Groene Hart in. Dit blijkt op geen enkele wijze uit de visualisaties en uit de effectbeoordeling. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER nader in te gaan op de landschappelijke effecten van de voorgenomen ontwikkelingen en daarbij nadrukkelijk de relatie te leggen met de grotere schaal van het verstedelijkte gebied en het Groene Hart. -6- 2.5 Natuur In het MER is aangegeven dat het voornemen (via externe werking) gevolgen kan hebben voor omliggende Natura 2000-gebieden, Beschermde natuurmonumenten en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De gevolgen voor Natura 2000-gebieden zijn beschreven in een Passende beoordeling en in het MER samengevat. In en direct rondom het plangebied kunnen ook weidevogelleefgebieden en overige beschermde soorten beïnvloed worden. De Commissie is van mening dat in het MER en de Passende beoordeling essentiële informatie voor de besluitvorming ontbreekt over de gevolgen voor Natura 2000-gebieden, weidevogelleefgebieden en beschermde soorten Passende beoordeling (Natura 2000) In de Passende beoordeling zijn de gevolgen van verontreiniging, geluid en vermesting/verzuring in beeld gebracht. Het is mogelijk dat het plangebied en de directe omgeving ook een functie vervult als foerageergebied voor Purperreigers, overwinterende ganzen en mogelijk ook andere vogelsoorten 9 waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd. De aantasting van deze (mogelijke) foerageergebieden kan gevolgen hebben voor de draagkracht van de relevante soorten in daarvoor relevante Natura 2000-gebieden. Dit aspect is onterecht niet beschouwd. Het voornemen resulteert in extra stikstofdepositie van circa 4,4 mol N/ha/jaar in Natura 2000-gebied Lingedijk & Diefdijk-Zuid en tot maximaal 1 mol N/ha/jaar in drie andere Natura 2000-gebieden 10. Indien de bemesting op (te verdwijnen) agrarische percele
We Need Your Support
Thank you for visiting our website and your interest in our free products and services. We are nonprofit website to share and download documents. To the running of this website, we need your help to support us.

Thanks to everyone for your continued support.

No, Thanks