Please download to get full document.

View again

of 22
All materials on our website are shared by users. If you have any questions about copyright issues, please report us to resolve them. We are always happy to assist you.

Herstelstrategie H6410: Blauwgraslanden. 1. Kenschets. Leeswijzer

Category:

Letters

Publish on:

Views: 4 | Pages: 22

Extension: PDF | Download: 0

Share
Related documents
Description
Herstelstrategie H6410: Blauwgraslanden Beije, H.M., A.J.M. Jansen, Q.L. Slings & N.A.C. Smits Leeswijzer Dit document start met de kenschets uit het profieldocument (paragraaf 1) en geeft daarna een overzicht
Transcript
Herstelstrategie H6410: Blauwgraslanden Beije, H.M., A.J.M. Jansen, Q.L. Slings & N.A.C. Smits Leeswijzer Dit document start met de kenschets uit het profieldocument (paragraaf 1) en geeft daarna een overzicht van de ecologische randvoorwaarden van het habitattype (paragraaf 2). Vervolgens wordt ingegaan op de effecten van atmosferische stikstofdepositie op het habitattype (paragraaf 3) en op andere processen die de kwaliteit beïnvloeden (paragraaf 4). Vervolgens komen in paragraaf 5 en 6 maatregelen aan bod om de achteruitgang te stoppen, dan wel de kwaliteit te verbeteren. Deze maatregelen dienen in aanvulling op het reguliere beheer (paragraaf 2) te worden uitgevoerd. In paragraaf 7 worden maatregelen voor uitbreiding besproken en in paragraaf 8 komt de effectiviteit en duurzaamheid van de maatregelen aan bod. In paragraaf 9 worden de maatregelen in een overzichtstabel samengevat en het document wordt afgesloten met literatuurreferenties in paragraaf Kenschets De tekst in onderstaand kader betreft de kenschets van het profielendocument van het habitattype. Het habitattype betreft in ons land de zogenoemde blauwgraslanden. Het zijn soortenrijke hooilanden op voedselarme, basenhoudende bodems die s winters plasdras staan en s zomers oppervlakkig uitdrogen. De naam blauwgrasland is afgeleid van de zwak blauwgroene kleur van de soorten die het aanzien bepalen. Dat zijn bijvoorbeeld Spaanse ruiter (Cirsium dissectum), Blauwe zegge (Carex panicea) en Tandjesgras (Danthonia decumbens). De blauwgraslanden worden plantensociologisch gerekend tot het verbond Junco-Molinion. De begroeiingen kennen een grote variatie in soortensamenstelling, afhankelijk van bodem, hydrologie en geografische ligging. Zo kunnen in het laagveengebied plaatselijk Riet (Phragmites australis) en Melkeppe (Peucedanum palustris) talrijk zijn, terwijl op de hogere zandgronden soorten uit de heischrale graslanden opvallend aanwezig zijn. In sommige geografische regio s zijn bepaalde soorten kenmerkend,zoals Grote pimpernel (Sanguisorba officinalis) in noordelijk Noord-Brabant, Veldrus (Juncus acutiflorus) in beekdalen, en Karwijselie (Selinum carvifolium) in Willinks Weust. Schrale hooilanden met veel Veldrus worden eveneens tot het habitattype H6410 gerekend, wanneer ze veel soorten van het verbond Junco-Molinion bevatten (tenminste drie typische soorten aanwezig). Op relatief basenrijke natte plekken kunnen bepaalde basenminnende soorten naar voren treden zoals Parnassia (Parnassia palustris). Basenrijke kwelmoerassen, waarin de typische blauwgraslandsoorten ontbreken en kleine zeggen domineren, worden echter gerekend tot het habitattype Alkalisch laagveen (habitattype H7230; zie aldaar voor de verschillen met type H6410). In duingebieden komen plaatselijk ook blauwgraslanden voor. Het betreft hier oudere, reeds langdurig in cultuur gebrachte delen met een sterke bodemontwikkeling. Deel II 561 In de Blauwgraslanden komen 12 soorten voor van de Vogel- en Habitatrichtlijn waarvoor de stikstofgevoeligheid van het type een probleem kan vormen voor de kwaliteit van het leefgebied. Daarnaast zijn er drie typische soorten, waarvoor in dit habitattype mogelijke problemen als gevolg van stikstofdepositie worden verwacht. De specifieke effecten voor fauna worden beschreven in Deel I (paragraaf 2.4). Afhankelijk van het belang en de functie van dit habitattype voor de soorten, kunnen ook andere habitats noodzakelijke onderdelen van het leefgebied vormen. Voor een volledig overzicht van de deelhabitats, zie bijlage 1 en 2 van Deel II. Soortgroep VHR-soor soort belang en functie N-gevoeligheid Effecten van stikstofdepositie van leefgebied Dagvlinders Grote Klein: foerageergebied Ja (indien Afname bloemdichtheid (3) vuurvlinder nectarplanten worden verdrongen) Dagvlinders Pimpernelblauwtje Groot: voortplantingsen foerageergebied Ja (maar hogere KDW) Koeler en vochtiger microklimaat.(1) + afname kwantiteit voedselplanten (3) + afname kwaliteit voedselplanten (4) + afname beschikbaarheid gastheer (6) Vogels Grauwe klauwier Klein: foerageergebied Ja Afname prooibeschikbaarheid (6) Vogels Grutto Klein: foerageergebied Mogelijk Afname prooibeschikbaarheid (6) Vogels Kemphaan Klein: voortplantingsen foerageergebied ja Koeler en vochtiger microklimaat (1) + afname prooibeschikbaarheid (6) Vogels Korhoen Klein: foerageergebied Ja Afname kwantiteit + kwaliteit voedselplanten (3) + afname prooibeschikbaarheid (6) Vogels Kwartelkoning Klein: voortplantings- Mogelijk Afname prooibeschikbaarheid (6) en foerageergebied Vogels Paapje Groot: voortplantingsen foerageergebied Ja Afname prooibeschikbaarheid (6) Vogels Roodborsttapuit Klein: voortplantingsen foerageergebied Mogelijk Afname prooibeschikbaarheid (6) Vogels Tureluur Klein: foerageergebied Mogelijk Koeler en vochtiger microklimaat (1) + afname prooibeschikbaarheid (6) Vogels Visdief Klein: foerageergebied Mogelijk Afname prooibeschikbaarheid (6) Vogels Watersnip Groot: voortplantings- en foerageergebied Mogelijk Afname prooibeschikbaarheid (6) Deel II 562 Soortgroep Typische soort belang en functie Dagvlinders Moerasparelmoervlinder Groot: voortplantings- en foerageergebied Dagvlinders Zilveren maan Groot: voortplantingsen foerageergebied Vogels Watersnip Groot: voortplantingsen foerageergebied N-gevoeligheid Effecten van stikstofdepositie van leefgebied Ja Afname kwantiteit voedselplanten (3) Ja Afname kwantiteit voedselplanten (3) Ja Afname prooibeschikbaarheid (6) Voor een goed begrip van de onderstaande paragrafen, is het essentieel om uit te gaan van de definitie van het habitattype en zijn kwaliteitseisen (abiotische randvoorwaarden, samenstellende vegetatietypen, typische soorten en overige kenmerken van goede structuur en functie). Zie daarvoor het profielendocument (http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/documenten/profielen/habitattypen/profiel_habitat type_6410.pdf). 2. Ecologische randvoorwaarden Voor de abiotische randvoorwaarden (Runhaar et al. 2009) wordt uitgegaan van de omstandigheden van de twee subassociaties van Blauwgrasland die zeer kenmerkend zijn voor het habitattype (typische subassociatie resp. met Melkeppe), aangevuld met de twee overige subassociaties (met Borstelgras en Parnassia) en de Veldrus-associatie die als kenmerkend worden beschouwd (Schaminée et al. 1996). 2.1 Zuurgraad De optimale zuurgraad voor blauwgraslanden omvat zwak tot matig zure condities met een ph- H2O tussen 5,0 en 6,5. De meest basenrijke vormen van de associatie Blauwgrasland (met een ph tussen 6,5 en 7,0) vallen onder het habitattype kalkmoerassen (H7230). Voor het blauwgrasland zijn deze ph-waarden suboptimaal, dat wil zeggen dat dergelijke omstandigheden een waardevolle bijdrage kunnen bieden in de vorm van condities voor de subassociatie met Parnassia, maar de meest kenmerkende vegetaties van het habitattype kunnen bij die phwaarden niet duurzaam in stand worden gehouden. Suboptimaal zijn ook ph-waarden tussen 4,5 en 5,0 die vaak wijzen op verzuring en daarom niet worden gerekend tot het kernbereik (Runhaar et al. 2009). 2.2 Voedselrijkdom Blauwgraslanden zijn afhankelijk van matig voedselarme tot licht voedselrijke situaties, met productiegrenzen tussen 1 en 4,5 ton droge stof/ha/jaar. Een iets hogere productie van 4,5-7,5 ton droge stof/ha/jaar is plaatselijk of tijdelijk mogelijk maar leidt niet tot een duurzaam behoud van goede kwaliteit. Eén van de kenmerkende vegetaties, de veldrus-associatie verdraagt weliswaar nog voedselrijkere omstandigheden, maar die worden niet tot het aanvullend bereik gerekend omdat alleen de schralere vormen van de associatie onder het blauwgrasland vallen (Runhaar et al. 2009). De biomassaproductie in blauwgraslanden was vroeger vaak gelimiteerd Deel II 563 door fosfaat (Pegtel 1983) of er was sprake van co-limitatie door fosfaat en stikstof (Van Duren 2000). 2.3 Vochttoestand Het kernbereik van de vochttoestand omvat de vochtklassen zeer nat en nat met een gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) tussen 5 cm boven tot 25 cm beneden maaiveld (Runhaar et al. 2009). In gebieden met reliëf kunnen op hogere delen iets minder vochtige (en zuurdere) overgangsvormen naar heischrale graslanden ontstaan, met een GVG van beneden maaiveld, die bijdragen aan de soortenrijkdom en diversiteit binnen het gebied; in dat geval worden deze omstandigheden ook gerekend tot het kernbereik van de vochttoestand. In reliëfarme blauwgraslanden gelden deze omstandigheden als suboptimaal en worden ze gerekend tot het aanvullend bereik. Overigens verschilt de gewenste vochttoestand van blauwgraslanden op de hogere zandgronden met die in het laagveengebied. Meer informatie hierover geven onder andere Grootjans (1985) en Jansen et al. (2001). 2.4 Landschapsecologische processen Blauwgraslanden komen voor in uiteenlopende landschappen, met name in beekdalen en laagten op de hogere zandgronden, in natte duinvalleien en in het laagveengebied. De gewenste condities met betrekking tot de basenverzadiging en het grondwaterregime worden bijna altijd in hoge mate bepaald door de omgeving. De basenaanvulling, die nodig is om het hoofd te bieden aan uitspoeling en afvoer van kationen via het maaisel, vindt plaats via de aanvoer van gebufferd grondwater (hogere zandgronden, duinen, overgang laagveen naar zandgronden) of via inundatie met schoon boezemwater (laagveengebied) of beekwater (vroeger in beekdalen). Alleen in het laagveengebied kan de basenaanvulling ook plaatsvinden door enige mineralisatie van de onderliggende veenbodem (riet- en zeggeveen) na lichte ontwatering, of uit de kleifractie die soms aanwezig is in de veenbodem. In duinblauwgraslanden kan een lichte instuiving met vers zand uit naburige kleinschalige verstuivingen een externe bron van basen zijn. Ook het gewenste waterregime wordt gestuurd door lokale of regionale kwel (zandgronden, duinen, sporadisch in laagveen) of door het polderpeil (laagveengebied). Het polderpeil dient zodanig te zijn dat in het grootste deel van het jaar slechts lichte ontwatering optreedt. In de zomer moeten de grondwaterstanden wel op een natuurlijke manier kunnen uitzakken. Herstelmaatregelen voor blauwgraslanden kunnen gevolgen hebben voor andere habitattypen in de omgeving. Blauwgraslanden komen vaak voor in combinatie met Vochtige alluviale bossen (H91E0C, subtype beekbegeleidende bossen), die dezelfde ecologische vereisten hebben en dus in beginsel zullen profiteren van de maatregelen voor blauwgraslanden en omgekeerd. Kalkmoerassen (H7230) stellen nauwere eisen aan het grondwaterregime en kwaliteit die eventueel herstelmaatregelen vergen die ingrijpender zijn dan voor blauwgraslanden. Omgekeerd zullen de herstelmaatregelen voor blauwgrasland in het algemeen niet schadelijk zijn voor kalkmoerassen. Overgangs- en trilvenen (H7140, subtype trilvenen) komen in sommige terreinen voor in combinatie met blauwgraslanden. Het eerstgenoemde habitattype eist stabielere, hoge waterstanden dan blauwgraslanden, maar dit hoeft in veldsituaties niet onverenigbaar te zijn mits het watersysteem wordt afgestemd op de verschillende plaats waarop de habitattypen liggen in de gradiënt. Behalve dat blauwgraslanden en trilvenen divergeren in de ruimte, kunnen trilvenen door natuurlijke successie zich ontwikkelen tot blauwgraslanden. Het is belangrijk om hiermee in het beheer rekening te houden en deze natuurlijke ontwikkeling in voorkomende gevallen niet tegen te houden. Deel II 564 Zie ook de informatie uit de landschapsdoorsneden (Deel III). 2.5 Regulier beheer Het regulier beheer van blauwgraslanden bestaat uit het jaarlijks maaien en afvoeren van de biomassa in de nazomer (augustus). Maaien in (uitsluitend) september of later is minder gewenst omdat dan minder nutriënten, vooral stikstof, worden afgevoerd (mond. meded. Smolders, B- ware). Voor de fauna is het van belang dat sommige delen periodiek zelfs niet worden gemaaid. Veel blauwgraslanden hebben een eeuwenlange geschiedenis van agrarisch maaibeheer achter de rug. Er zijn echter ook steeds meer blauwgraslanden die het product zijn van jarenlang maaien als natuurbeheermaatregel, bijvoorbeeld in relatief jonge zeeduinvalleien. In duinvalleien lijkt het habitattype tot usverre soms ook in stand gehouden te kunnen worden met voornamelijk een zeer extensief begrazingsbeheer, waarbij eens per 3-8 jaar de houtopslag wordt verwijderd (mond. meded. Slings, PWN). Als de kwaliteit van de vegetatie lokaal desondanks achteruitgaat, is een incidentele maaibeurt voldoende om de kwaliteit weer te herstellen. In bepaalde gevallen in het laagveengebied schijnen blauwgraslanden vroeger in stand te zijn gehouden mede met behulp van lichte giften met bagger of stalmest, maar de precieze betekenis daarvan is niet duidelijk. Het is ook niet bekend of het voortbestaan van bestaande blauwgraslanden soms afhankelijk kan zijn van antropogene toevoer van voedingsstoffen (www.natuurkennis.nl). 3. Effecten van stikstofdepositie De kritische depositiewaarde voor blauwgraslanden is vastgesteld op 1071 mol/ha/jaar (=15 kg/ha/jr). Dit getal is gebaseerd op de onderkant van de empirische range, gelet op de gemiddelde uitkomst (Van Dobben et al. 2012). Hierbij kan worden aangetekend dat de empirische range, met een bereik van kg N/ha/jr (EUNIS E3.51: Molinia caerulea meadows ) wordt beschouwd als een expert schatting (Bobbink & Hettelingh 2011). In de literatuur wordt verondersteld dat depositieniveaus boven de kritische depositiewaarde kunnen leiden tot (1) verzuring en/of (2) vermesting. In combinatie daarmee kunnen ook (3) stoffen vrijkomen die toxisch zijn voor sommige plantensoorten. Deze drie processen worden hierna achtereenvolgens beschreven. 3.1 Verzuring De basenverzadiging en daarmee de weerstand tegen verzuring in de bodem van blauwgraslanden wordt bepaald door de voorraden kationen en bicarbonaat, die vooral via het kwelwater worden aangevoerd. Omdat deze voorraden beperkt zijn, is blauwgrasland gevoelig voor verzuring. Het meest gevoelig zijn situaties waar de subassociaties met Melkeppe en/of met Borstelgras voorkomen. Deze vegetatietypen verdwijnen bij ph-h2o waarden beneden 4,5 waarna de bodem te zuur wordt voor het habitattype. Bij de laatstgenoemde associatie geldt dit alleen voor reliëfarme omstandigheden; in gebieden met reliëf kunnen op hogere delen (zeer) vochtige en zuurdere overgangsvormen naar heischrale graslanden ontstaan die bijdragen aan de soortenrijkdom en diversiteit binnen het gebied (Runhaar et al. 2009). Het meest basische vegetatietype, de subassociatie met Parnassia, kan ook verdwijnen als gevolg van verzuring (bij ph 5,0), maar daarmee hoeft niet meteen het habitattype verdwijnen. Het genoemde vegetatietype kan overgaan in een andere subassociatie die nog steeds tot het habitattype behoort. Deel II 565 Eventuele verzuring is uiteraard ook op soortniveau te herkennen. Typische soorten zoals Parnassia, Blonde zegge en Vlozegge nemen af bij verzuring, terwijl andere soorten zoals Pijpenstrootje, Zwarte zegge, Moerasstruisgras en Veenpluis juist gaan toenemen (Jansen et al. 2010). De effecten van verzuring hoeven lang niet altijd direct zichtbaar te zijn op het moment van depositie. Een uitstel van tientallen jaren is mogelijk. Dit hangt enerzijds af van het huidige depositieniveau maar anderzijds ook van de mate waarin het buffercomplex ter plaatse is uitgeput als gevolg van de toevoer van verzurende stoffen in het verleden. Op het moment dat de kationenbuffer is uitgeput, daalt de ph het snelst en daarmee ook de kwaliteit van de vegetatie. Dit betekent dat een grote hoeveelheid depositie op een nog goed gebufferd habitat minder effect heeft dan een bescheiden hoeveelheid depositie op een habitat waarvan de buffercapaciteit vrijwel is uitgeput. 3.2 Vermesting Bij vermesting tot waarden boven het kernbereik van de voedselrijkdom is de subassociatie met borstelgras (16Aa01A) het vegetatietype dat het eerst suboptimale condities krijgt voorgeschoteld. De Veldrus-associatie (16Ab01) daarentegen kan voorlopig nog optimaal voortbestaan bij iets voedselrijkere omstandigheden. Op soortniveau komt vermesting tot uitdrukking in een toename van de biomassaproductie en uitbreiding van soorten zoals Gewone wederik en Hennegras. Soorten met minder concurrentiekracht kunnen daardoor afnemen. Veldproeven in Engeland laten zien dat verhoogde fosfaatgehalten de vestiging van de typische soort Spaanse ruiter beperken (Tallowin & Smith 2001). De vermestende effecten van stikstof worden vaak enigszins getemperd doordat stikstof en fosfaat co-limiterende factoren zijn. Dit betekent dat de effecten van stikstofdepositie groter zijn naarmate óók meer fosfaat wordt aangevoerd. Van geleidelijke ophoping van stikstof is in natte graslanden weinig sprake (Mol & Van Dobben 2010). Ophoping van stikstof in de bodem kan wel plaatsvinden als de bodem sterk uitdroogt na ontwatering (Grootjans et al. 1986). De input van stikstof wordt grotendeels afgevoerd via het maaisel en via uit- en afspoeling naar het grond- en oppervlaktewater alsook vervluchtiging naar de atmosfeer. Belangrijk hierbij zijn afwisselend natte en droge omstandigheden. Onder droge condities vindt nitrificatie plaats waarbij ammonium wordt geoxideerd tot nitraat dat via het water wegvloeit. Onder nattere condities kan het nitraat in de bodem worden genitrificeerd tot stikstofgas dat verdwijnt naar de atmosfeer. 3.3 Toxiciteit Dat stikstofdepositie ook kan leiden tot toxische effecten op blauwgraslandsoorten is tot nu toe alleen aangetoond in laboratorium-experimenten. Hoge gehalten van ammonium (die meestal een direct gevolg zijn van depositie) bleken een sterk negatief effect te hebben op de typische soort Spaanse ruiter, maar alleen in combinatie met een lage ph van 4 of lager (Lucassen et al. 2003). Dezelfde soort is ook gevoelig voor hoge aluminiumconcentraties in het bodemvocht die veroorzaakt kunnen worden door verzuring als gevolg van oxidatie van ammonium (aangevoerd via depositie) al dan niet in combinatie met een afname van de hoeveelheid bufferende kationen die via het grondwater worden aangevoerd (De Graaf et al. 1997). Deel II 566 3.4 Fauna Voor het leefgebied van VHR en/of typische diersoorten geldt dat de effecten van stikstofdepositie via de volgende factoren doorwerken: koeler en vochtiger microklimaat, afname kwantiteit voedselplanten + bloemdichtheid, afname kwaliteit voedselplanten en afname beschikbaarheid gastheer en prooibeschikbaarheid. Een uitsplitsing van deze factoren naar de onderscheiden soorten is terug te vinden in de kenschets en een beschrijving van de specifieke factoren is terug te vinden in paragraaf 2.4 van Deel I. 4. Andere omstandigheden die de effecten van stikstof- depositie beïnvloeden 4.1 Verdroging Verdroging is een probleem dat vrijwel alle blauwgraslanden parten speelt. Daarvoor zijn velerlei oorzaken zoals ontwatering, waterwinning, beekpeilverlaging en diepere insnijding van beken (Grootjans et al. 1986, Van den Broek et al. 2009, Van der Hoek 2005). De effecten van verdroging zijn vergelijkbaar met die van stikstofdepositie en bovendien versterken ze elkaar Vermesting als gevolg van verdroging Verlaging van (grond)waterstanden heeft mineralisatie van het organisch materiaal in de grond tot gevolg waardoor extra stikstof beschikbaar komt voor de vegetatie. Dit leidt tot vermesting, temeer omdat bovendien de fosfaatbeschikbaarheid toeneemt. Stikstof en fosfaat zijn vaak z.g. co-limiterende factoren, hetgeen betekent dat de vermesting het grootst is als beide nutriënten tegelijk.meer beschikbaar komen. Matig voedselrijke habitats zoals blauwgraslanden raken daardoor uit balans. Snelgroeiende soorten gaan overheersen en verdringen geleidelijk de soorten met minder concurrentiekracht. En bijzondere vorm van vermesting als gevolg van verdroging heeft te maken met de ijzervoorraad.in beekdalgronden. Van nature zijn deze gronden vaak zeer ijzerrijk. Het vele ijzer (en calcium) droeg in het verleden bij aan een zeer geringe beschikbaarheid van fosfaat
We Need Your Support
Thank you for visiting our website and your interest in our free products and services. We are nonprofit website to share and download documents. To the running of this website, we need your help to support us.

Thanks to everyone for your continued support.

No, Thanks