Please download to get full document.

View again

of 17
All materials on our website are shared by users. If you have any questions about copyright issues, please report us to resolve them. We are always happy to assist you.

linda jansma Doelwit

Category:

Religious & Philosophical

Publish on:

Views: 7 | Pages: 17

Extension: PDF | Download: 0

Share
Related documents
Description
Doelwit linda jansma Doelwit 2014 Linda Jansma Omslagontwerp Studio 100% Boekverzorging Michiel Niesen, ZetProducties, Haarlem Foto omslag Martha Bevacqua / Arcangel Images ISBN Nur 330
Transcript
Doelwit linda jansma Doelwit 2014 Linda Jansma Omslagontwerp Studio 100% Boekverzorging Michiel Niesen, ZetProducties, Haarlem Foto omslag Martha Bevacqua / Arcangel Images ISBN Nur 330 Meer informatie over De Crime Compagnie op Ter nagedachtenis aan KHADIJA 1987 ~ 2008 Life is eternal, and love is immortal R.W. Raymond * Sometimes people do the wrong things for the right reasons. Leroy Jethro Gibbs NCIS, season 9, episode 5 Safe Harbor vrijdagnacht 17 augustus 2012 Pas als hij naast mijn bed staat merk ik hem op. Tenminste, ik denk dat het een hij is, maar zeker weten doe ik het pas als hij razendsnel boven op me springt en zijn vingers om mijn keel klemt. Omdat ik uit een diepe slaap ontwaak, ben ik te laat om mezelf te verdedigen en terwijl ik voel hoe zijn hand mijn luchtpijp dichtdrukt, probeer ik te schreeuwen, maar het lukt me niet. Ik hoor een zacht gegorgel en besef dat ik degene ben die dat geluid voortbrengt. Ik voel paniek oplaaien, begin ongecontroleerd om me heen te trappen wat weinig uithaalt en richt mijn blik gejaagd op het silhouet boven me. In het donker zie ik niet meer dan het glinsterende wit van zijn ogen, maar toch herken ik ze. Hij! De paniek maakt plaats voor woede. Zonder er verder bij na te denken grijp ik zijn pols vast en terwijl ik nog steeds wild tegenstribbel, probeer ik zijn hand om mijn keel los te wrikken. Hij is sterk, heel sterk, maar toch lukt het me om de wurgende greep een beetje losser te krijgen, waardoor ik wat zuurstof naar binnen kan zuigen. Dan trek ik mijn rechterbeen omhoog en plant met kracht mijn knie in zijn rug, waardoor hij naar adem hapt. Hij schiet naar voren en moet mijn keel loslaten om in evenwicht te blijven. Ik reageer meteen, gooi met een smak mijn voorhoofd tegen zijn neus, waardoor hij met een rauwe kreet zijn handen naar zijn gezicht brengt. Bloed sijpelt tussen zijn vingers door en met een venijnige stomp gooi ik hem van me af. Ik rol me onder hem vandaan, van mijn bed af, zodat ik met een harde klap op mijn buik op de vloer terechtkom. Haastig draai ik me om, wil opkrabbelen, maar ik ben te laat. Hij duikt van het bed af, boven op me, waardoor alle lucht uit mijn longen geperst 7 wordt, en klemt opnieuw zijn handen om mijn keel. Sterf, leugenachtige hoer, sist hij me toe. En zij is de volgende, hoor je me! Ik trap woest om me heen, deels om los te komen, deels om hem te schoppen, maar het heeft geen zin. Mijn benen steken half onder mijn bed, waardoor ik niet opnieuw mijn knie tussen zijn nieren kan planten. Mijn ogen beginnen te tranen, mijn longen lijken te barsten, branden genadeloos in mijn borst, en net als ik besef dat het me niet gaat lukken om los te komen, hoor ik een huiveringwekkend gekrijs, gevolgd door een schreeuw. Het silhouet boven me schiet met een ruk overeind. De druk op mijn keel verdwijnt en gierend hap ik naar adem om zo veel mogelijk lucht binnen te krijgen, waardoor ik meteen in een hoestbui beland. Tranen lopen over mijn wangen, terwijl ik op mijn kont achteruit schuif, tot ik met mijn rug tegen de muur zit. In een wazige mist zie ik hoe mijn kat Bruce zijn nagels diep in de schouders van mijn schreeuwende belager heeft gezet en weigert los te laten, waardoor de man woest met zijn armen om zich heen maait. Haastig veeg ik mijn ogen droog, grijp in een reflex datgene wat het dichtst in mijn buurt is, krabbel overeind en haal uit. Er klinkt een rauwe kreet als ik de man tegen zijn heup raak. Op hetzelfde moment pakt hij Bruce in zijn nekvel, trekt hem van zijn arm los en smijt hem ruw opzij, op mijn bed. Ik mep nogmaals met al mijn kracht, hoor dan luid gevloek, of althans, dat denk ik, want echt verstaan doe ik het niet. Het volgende moment voel ik een harde stomp tegen mijn borst, waardoor ik achterover op mijn bed tuimel zodat Bruce blazend opzij schiet. Als ik weer overeind ben gekomen, is mijn slaapkamer leeg. Mijn hart gaat nog steeds wild tekeer. Ik kijk naar de shinai, mijn kendowapen, die ik nog steeds stevig in mijn linkerhand geklemd houd, en richt dan mijn blik op Bruce. Hij lijkt niets te mankeren en terwijl ik mijn pijnlijke keel betast, kruipt hij spinnend tegen me aan. Pas als ik zijn warme lijf tegen mijn blote been voel, besef ik wat er is gebeurd en begin ik ongecontroleerd 8 te beven. Hij wilde me vermoorden. Nog steeds. Na zoveel jaar. En Bruce heeft mijn leven gered. Een kat. Míjn kat. Onvoorstelbaar. Ik slik een paar keer om het rauwe gevoel in mijn keel kwijt te raken en denk dan met een schok aan zijn woorden. En zij is de volgende. Jezus! Ik duik over mijn bed heen en grijp de telefoon van het nachtkastje. Vrijdag 11 april 2008 Mevrouw Van de Werff? Snel maakte ik nog even de laatste zin van het dossier af en keek toen op. Leila, zei ik met een glimlach naar het meisje dat in de deuropening van mijn kamer stond. Wij hebben toch geen afspraak, of wel? Aarzelend schudde ze haar hoofd. Ik wist eigenlijk niet zeker of ik hier wel naartoe zou komen, zei ze zacht. O? reageerde ik met opgetrokken wenkbrauwen. Heb je problemen? Ze haalde haar schouders op, een gebaar dat ik vaak zag bij scholieren die eigenlijk niet goed wisten of ze hun problemen met mij moesten delen of niet. Een vertrouwenspersoon klonk voor hen allemaal wel mooi, maar vaak waren ze er helemaal niet van overtuigd dat ze me ook werkelijk konden vertrouwen. En het was al lang geleden dat ik Leila bij me op de kamer had gehad. Voor het laatst zo n twee jaar geleden, toen ze was doorgestuurd door haar mentor, omdat ze een blauw oog had, waarover ze niets kwijt wilde. Ook tegen mij had ze volgehouden dat ze tegen een kastdeur was opgelopen, en dat was al meer dan ze aan haar mentor had verteld. Na die ene keer had ik haar nooit meer gezien. Ik klapte het dossier dicht en stond op. Kom even zitten, zei 9 ik en ik maakte een uitnodigend gebaar naar het rode tweezitsbankje in de hoek van mijn kantoor. Leila keek even over haar schouder, voordat ze toch verder naar binnen kwam en plaatsnam. Wil je wat drinken? vroeg ik, terwijl ik de deur sloot die zij had laten openstaan. Ze schudde haar hoofd. Ik heb niet veel tijd, zei ze zacht. Ik mijn broer wacht. Je broer? Ik pijnigde mijn hersens om me Leila s broer te herinneren. Hij staat buiten. Hij haalt me altijd met zijn auto van school. Ik ging op de stoel tegenover haar zitten en staarde haar aan. Elke dag? Ze antwoordde niet, keek me aan met haar donkere, bijna zwarte ogen, waarin ik ineens een onmetelijke triestheid ontdekte. Ben je daarom hier? vroeg ik voorzichtig. Weer kwam er geen antwoord. Ze boog haar hoofd, waardoor haar lange, pikzwarte krullen langs haar gezicht vielen, terwijl haar handen rusteloos over de stof van haar rok wreven. Toen keek ze weer op en blonken er tranen in haar ogen. Ik ben bang, fluisterde ze. Nu was ik het die zweeg. Ik keek naar haar gezicht, de licht getinte gave huid, haar grote ogen, waarin nu behalve triestheid ook angst flikkerde. Bang, herhaalde ik uiteindelijk, omdat ik niet goed wist wat ik anders moest zeggen. Ze knikte. Waarvoor? vroeg ik. Ik zag haar slikken en pas na een paar minuten reageerde ze. Kent u Thomas? Thomas Withuizer? Uit 5H2? Ja. Hij Ze begon te blozen en vervolgde toen: We mogen elkaar erg graag. 10 Ergens begon me iets te dagen, maar helemaal begrijpen deed ik het nog niet. Je bedoelt dat je niet met hem mag omgaan? Ze knikte nogmaals. Ik bekeek haar van top tot teen. Best modern gekleed, in een lichtblauwe spijkerrok met daarop een fleurig gekleurd shirtje. Blote voeten in donkerblauwe instappers. Haar haren los, met krullen tot op haar schouders, uit haar gezicht gehouden door een witte haarband. Oké, ze had geen specifiek Nederlands uiterlijk, maar dat had ík ook niet. Als dochter van een Turkse moeder en een Nederlandse vader werd ik regelmatig nageroepen met woorden als kutmarokkaan of tyfusturk. Allemaal vanwege mijn uiterlijk: getint, donkere ogen en lang zwart haar, dat ik meestal in een staart droeg. Maar ik was niet islamitisch. En Leila ook niet. Toch? Mogen ze hem niet? vroeg ik en ik hoorde zelf hoe belachelijk die vraag klonk. Leila glimlachte triest en boog haar hoofd. Ik ben al aan iemand anders beloofd, zei ze. Nu zakte mijn mond echt open. Hoezo, aan iemand anders beloofd? En dan, voorzichtig: Jij bent toch geen moslim? Ze hoefde me alleen maar aan te kijken om me te laten beseffen dat het antwoord ingewikkelder in elkaar stak dan ja of nee. Ze droeg geen hidjab, een hoofddoek, een toch wel belangrijk kenmerk van een praktiserende moslimvrouw. Jezidi, zei ze met een klank in haar stem alsof ze zich ervoor schaamde. Ik ben een jezidi. Sprakeloos staarde ik haar aan. Natuurlijk wist ik wat een jezidi was; hele verhalen vertelde mijn moeder vroeger over het vervloekte volk uit het noorden van Turkije. Koerden, die zichzelf geen moslims vinden en geen deel uitmaken van het islamitische geloof. Wat ze wel geloven is nogal onduidelijk. Het geloof bevat elementen van allerlei richtingen: christelijke, islamitische, heidense, noem maar op. En wat mijn moeder óók had verteld was 11 dat jezidi s endogaam zijn. Je wordt geboren als jezidi, je kunt niet tot het geloof toetreden. Er bestaat een streng kastenstelsel, waarbinnen het trouwen ook strikt en traditioneel geregeld is, en toen ik daaraan dacht, begreep ik Leila s probleem. Ik liet me met mijn rug tegen de leuning van mijn stoel vallen, terwijl de stilte om ons heen steeds drukkender werd. Een jezidi. Juist. Leila leek nerveuzer te worden. Ze keek elke tien seconden naar de deur van mijn kamer en uiteindelijk stond ze op. Iik moet weg, zei ze. Haar stem trilde, toen ze vervolgde: Mijn broer Als ik niet snel buiten kom, gaat hij me zoeken. Ook ik stond op en liep om de tafel heen. Hoe oud ben je, Leila? vroeg ik. Zeventien? Ze knikte en keek vervolgens weer schichtig naar de deur. Toen richtte ze haar ogen weer op mij. I-ik dacht dat u het zou begrijpen. Ze blikte naar mijn gezicht, mijn zwarte haar, en ik begreep wat ze bedoelde. Ik ben geen moslim, Leila, zei ik. Dat weet ik, reageerde ze. U bent vrij. Ze glimlachte, pakte haar tas van de vloer en liep naar de deur. Leila Zwijgend keek ze om, met haar hand op de deurkruk. Ik zei: Zullen we hier maandag in de lunchpauze verder over praten? Haar antwoord was een amper waar te nemen knikje. 12 vrijdagnacht 17 augustus 2012 Met een ruk trek ik de deur open en sleur hem nog net niet naar binnen. Waar bleef je nou? Het klinkt boos, maar eigenlijk ben ik blij hem te zien. Lieve schat, ik moet wel helemaal uit Doetinchem komen, weet je nog wel? Zwijgend kijk ik links en rechts de door straatlantaarns schaars verlichte gracht af, voordat ik de deur sluit en hem voorga naar de kleine woonkamer. Ik wist niet dat je op een boot woonde, zegt hij, terwijl hij me volgt en tegelijkertijd om zich heen kijkt. Het is nu niet echt het moment om over mijn huis te discussiëren, zeg ik gejaagd. Hij was hier, Ben. Hij probeerde me te vermoorden! En nog voordat hij kan reageren: Is Leila veilig? Hij knikt. Martha is bij haar. Samen met twee agenten van de Amsterdamse politie. Opgelucht zucht ik. Sinds ik hem ruim anderhalf uur geleden belde, heb ik doodsangsten uitgestaan. Niet alleen voor mezelf, maar vooral voor Leila. En de kleine. Ze had niet opgenomen toen ik haar belde en ik kon ook niet naar haar toe, ondanks dat ze nog geen tien minuten hiervandaan woont. Stel dat hij zich buiten schuilhield? Hij zou me kunnen volgen en zo achter haar adres komen. Als hij dat nog niet weet, tenminste. Hij weet ook waar ik nu woon. Hoe is hij daar trouwens achter gekomen? Heb je wat gezien buiten? wil ik weten. Hém? Hij schudt zijn hoofd. Judi begint hij met die klank in zijn stem waar ik me vroeger ook al aan ergerde. Weet je heel zeker dat hij het was? Even strijden boosheid en verontwaardiging om het hardst. Die stem herken ik uit duizenden, Ben, zeg ik. Hij heeft Ik buig mijn hoofd, kan niet verder praten en knijp mijn handen uit pure onmacht tot vuisten. Dan kijk ik weer op. Hij was het. Honderd procent zeker! Hoe is hij binnengekomen? Via het luik in de keuken. En als ik zijn blik zie: Ja, dat had ik afgesloten. Hij heeft het slot geforceerd. En jij hebt niets gehoord? vraagt hij. Dat is niets voor jou. Vroeger Vroeger is verleden tijd, val ik hem in de rede. Dus bespaar me dat historische gezever. 13 Hij lacht, loopt naar de andere kant van de kamer en werpt een blik mijn slaapkamer in. Ik zie hoe zijn ogen op mijn shinai vallen, die naast mijn bed op de grond ligt, en met opgetrokken wenkbrauwen kijkt hij weer om naar mij. Ik moest me verdedigen, verontschuldig ik me. Waarom doe ik dat eigenlijk? Je hebt hem daarmee geslagen? Ik knik. Hij buigt zich wat voorover alsof hij een cobra bekijkt en zegt: Wat is het voor ding? Een shinai. Mijn kendowapen. Nadat Bruce hem aanviel, was dat het eerste wat ik voorhanden had. Bruce herhaalt hij, terwijl hij om zich heen kijkt. En Bruce is? Mijn kat, vul ik aan. Ik wijs naar de enorme, ruim tien kilo wegende Noorse boskat, die boven op de boeken in mijn kast ligt en vergenoegd zijn vacht likt, alsof hij weet dat hij een heldendaad verricht heeft. Vernoemd naar Bruce Springsteen? Ik grijns hem cynisch toe. Bruce Lee. Ben knikt zwijgend. Dan laat hij zich op de leuning van mijn bank zakken en kijkt naar me op. Hoe is hij achter jouw verblijfplaats gekomen, Judi? Hoe weet ik dat nou? zeg ik. Iemand bij jullie moet zijn mond voorbijgepraat hebben. Iemand? De enigen die wisten waar jij en Leila naartoe gingen zijn Martha en ik. Ik kijk hem aan, zwijgend. Het is waar. Behalve hij en zijn partner weet niemand dat Leila en ik naar Amsterdam zijn gevlucht. Misschien heeft iemand het in het dossier gelezen? Hij schudt zijn hoofd. Het staat niet in het dossier. Dat hebben we eruit gelaten. Het hoort niet, maar het leek Mart en mij beter om te doen alsof we niet wisten waar jullie naartoe waren verhuisd. 14 Opnieuw zwijg ik en denk aan wat hij en Martha voor ons gedaan hebben, nadat we bedreigd waren door Leila s broer. We hebben gevochten voor ons recht om te leven waar en hoe we wilden, maar het was tevergeefs. Om veilig te zijn moesten we onze vertrouwde omgeving achterlaten, verkassen naar de andere kant van Nederland, en mochten we zelfs onze vrienden, en in mijn geval ook mijn familie, niet eens vertellen waar we heen gingen. Het was moeilijk, maar het is ons gelukt. Alleen de prijs die we ervoor betaald hebben was veel te hoog. Ik wil naar haar toe, zeg ik. Niet verstandig, reageert hij. Dat weet jij ook. Hij knikt naar de telefoon die ik op mijn salontafel gegooid heb. Als je haar wilt spreken, dan kun je haar beter bellen. Natuurlijk heeft hij gelijk. Dat hij hém buiten niet gezien heeft, wil nog niet zeggen dat hij er ook werkelijk niet is. Hij wist zich altijd al goed verscholen te houden, als hij wilde. Die les heb ik vier jaar geleden op een harde manier geleerd. En hier langs de Prinsengracht in Amsterdam zijn genoeg plekken van waaruit hij me ongezien kan bespieden. Ik huiver bij dat idee en om het gevoel van onbehagen te laten verdwijnen, graai ik mijn telefoon van de tafel en druk het snelkiesnummer van Leila in. Terwijl ik luister hoe de telefoon overgaat, staar ik zwijgend naar Ben, die naar mijn kleine keuken loopt. Ik hoor hem rommelen in de kastjes en wil net vragen wat hij zoekt, als Leila de telefoon opneemt. Judi, verzucht ze. Ik ben zo blij dat ik je stem hoor. En voordat ik wat kan zeggen: Ben je oké? Ja hoor, zeg ik. Bruce heeft hem de deur uitgejaagd. Bruce? Ik lach, eigenlijk van de zenuwen die nu pas naar buiten komen. Bruce heeft hem de schrik van zijn leven bezorgd. Hij zette zijn klauwen vol in zijn armen en rug. Ik wist niet dat hij zó fel kon zijn. Ook Leila lacht nu, maar ik hoor hoe geforceerd het klinkt. 15 Waarom nam je de telefoon eerder niet op? vraag ik. Ik sliep. En na een korte stilte, als ik niet reageer: Het is midden in de nacht, Judi. Ik was moe. Cem wilde niet slapen, waardoor ik pas laat in bed lag. Ik heb de telefoon niet Het is goed, Leila, onderbreek ik haar. Je hoeft je niet te verdedigen. Niet tegenover mij. Ik was gewoon ongerust, dat is alles. Ze zwijgt en bijna verbeeld ik me dat ik haar roffelende hart kan horen. Want dat dat roffelt als een idioot weet ik wel zeker. Angst is een emotie die niet zomaar verdwijnt, vooral niet als die zo zit ingebakken als bij haar. Zelfs ik ben bang, terwijl ik toch echt mijn mannetje wel weet te staan. Oké, met een beetje hulp van Bruce dan. Maar ook ik ben inmiddels bekend met dat allesoverheersende angstgevoel, dat ik in de afgelopen drieënhalf jaar dan wel diep heb weten weg te stoppen, maar dat door het minste of geringste in no time weer naar de oppervlakte komt. Hoe is het met Cem? vraag ik. Is hij erg geschrokken? Cem is drie, Judi. Hij snapt er niks van. Maar hij vindt het wél reuzespannend dat er twee politieagenten in ons huis zijn. Ik grinnik, als ik denk aan het kleine jochie, met zijn zwarte krullen en zijn glinsterende, groene ogen. De ogen van zijn vader. Natuurlijk vindt hij dat spannend. Gelukkig maar. Dat voorkomt tenminste dat hij bang wordt, want als er één ding is wat ik niet wil, is dat hij in dezelfde angst moet opgroeien als zijn moeder. Volgens Martha is het beter als we elkaar even niet opzoeken, klinkt Leila s stem zacht. Dat klopt, zeg ik. En dat zal best moeilijk zijn. Drieënhalf jaar lang, vanaf de dag dat we wegvluchtten uit s-heerenberg, zien we elkaar dagelijks. Eerst uit een gevoel van veiligheid, surrogaat natuurlijk, maar later omdat we elkaar haarfijn aanvoelden, alsof we zusters waren. En misschien is dat ook de beste omschrijving: Leila en ik zijn als zussen, met eenzelfde verleden. Ze zegt niets. Het is noodzakelijk voor onze veiligheid, Leila, zeg ik. Voor 16 Cems veiligheid. We weten niet of Tarik weet waar jij woont. Ik denk eigenlijk van niet, anders was hij vast niet eerst bij mij gekomen. En juist daarom zou elkaar nu ontmoeten het domste zijn wat we kunnen doen. Dat weet ik, fluistert ze. En na een korte stilte: Cem zal je missen. Het is maar voor even, beloof ik. Ben gaat kijken of Tarik nog in s-heerenberg is. Bij het horen van zijn naam steekt Ben zijn hoofd om de hoek van de keuken en kijkt me met opgetrokken wenkbrauwen aan, waardoor zijn blauwe ogen nog groter lijken dan ze al zijn. En als hij gewoon daar is, dan kunnen we onze volgende stap bepalen. Mogen we elkaar wel bellen? Natuurlijk, zeg ik, al zou het misschien verstandiger zijn om zelfs telefonisch contact te vermijden. Maar dat kan ik niet. Ik moet regelmatig haar stem horen om te weten dat alles in orde is. Geef Cem een dikke knuffel van me, oké? Ze snuft zachtjes ter bevestiging en als even later de verbinding verbroken is, moet ik een dikke prop in mijn keel wegslikken. Tijdens mijn leven vóór Leila want daaruit bestaat mijn leven tegenwoordig: de tijd voor, en de tijd met Leila heb ik nooit kunnen vermoeden dat ik ooit zo bezorgd zou kunnen zijn om iemand die geen familie van me is. Ik was een flierefluiter van de bovenste plank, happily single, had tegenover niemand verplichtingen behalve mijn baas, de directeur van de middelbare school waar ik als vertrouwenspersoon werkte, en ik stond vol in het leven. O, wat een contrast met tegenwoordig. Nu nader ik elke straathoek met wantrouwen, loop ik snel door als een auto plotseling langs de stoeprand stopt, schrik me te pletter als iemand iets over straat schreeuwt. Niets doe ik meer zonder me af te vragen of het wel veilig genoeg is. Voor mij, voor Leila. Zelfs na drieënhalf jaar nog. Koffie? klinkt Bens stem en voor de tweede keer verschijnt zijn hoofd met het korte blonde haar om de hoek van de keuken. 17 Doe maar, zeg ik. Dan pak ik de fles whisky wel. Hij grinnikt en verdwijnt weer. Gerinkel van bekers en lepeltjes vertelt me dat hij alles gevonden heeft wat hij zocht. Het is gek, maar zijn aanwezigheid geeft me een rust die ik in tijden niet gevoeld heb en vanaf het moment dat hij over mijn drempel stapte, is de angst die altijd en overal aanwezig is, gezakt tot een
Similar documents
We Need Your Support
Thank you for visiting our website and your interest in our free products and services. We are nonprofit website to share and download documents. To the running of this website, we need your help to support us.

Thanks to everyone for your continued support.

No, Thanks