Please download to get full document.

View again

of 45
All materials on our website are shared by users. If you have any questions about copyright issues, please report us to resolve them. We are always happy to assist you.

P.E. Franke Kleine Berg 16D 5611JV Eindhoven

Category:

History

Publish on:

Views: 12 | Pages: 45

Extension: PDF | Download: 0

Share
Related documents
Description
Scriptie geschreven in het kader van de opleiding Communicatie- en Informatiewetenschappen, afstudeerspecialisatie Tekst & Communicatie (Faculteit der Letteren, Universiteit van Brabant, 2003) P.E. Franke
Transcript
Scriptie geschreven in het kader van de opleiding Communicatie- en Informatiewetenschappen, afstudeerspecialisatie Tekst & Communicatie (Faculteit der Letteren, Universiteit van Brabant, 2003) P.E. Franke Kleine Berg 16D 5611JV Eindhoven De verwerving van een directief repertoire P.E. Franke, november 2003 Afstudeerbegeleidster Dr. H.A. Huls Examencommissie Dr. H.A. Huls Dr. P.J. van der Wijst I VOORWOORD In alledaagse conversaties zetten we gedachten vrijwel moeiteloos om in klanken, woorden en zinnen. We zijn in staat een samenhangend verhaal of een hilarische mop te vertellen, onze gevoelens te uiten, een liedje te zingen, en ga zo maar door. Hoewel we taal de hele dag gebruiken, staan we er zelden bij stil; als we praten zetten we ons taalsysteem meestal 'in z'n automaat'. We denken er nauwelijks bij na hoe we nou bijvoorbeeld de letter 'l' moeten maken; kiezen binnen milliseconden precies de juiste woorden, en uiten zonder zwaar gedachtewerk te verzetten zinnen die we nog nooit eerder hebben gebruikt. De meeste kinderen verwerven met relatief gemak alle taalvaardigheden waarmee volwassenen zich gelukkig mogen prijzen. Hoe wonderlijk dit eigenlijk is, besefte ik meer en meer tijdens het doorlopen van de studies Logopedie en Tekst- en Communicatie. Ik heb ontzettend veel geleerd over ons taalsysteem, en kwam er tegelijkertijd achter dat de puzzel nog verre van compleet is. Dit maakte in mijn ogen het onderwerp van deze scriptie zo bijster interessant; ik hoopte dat met een onderzoek naar de directieve taalontwikkeling ten minste één puzzelstukje op de juiste plaats terecht zou komen. Nu de scriptie na maanden hard werken helemaal af is, voel ik me zowel opgelucht als trots. Opgelucht, omdat het hele proces toch af en toe behoorlijk wat stress met zich meebracht en het een groot deel van mijn vrije tijd 'opslurpte'; trots, omdat ik me door de pittige directievenanalyse en statistische verwerking heb weten te worstelen en het al met al een samenhangend geheel is geworden. Hoewel het een enorm cliché is, is het bovenal bijzonder waar: zonder de hulp van anderen was het me allemaal niet gelukt. Allereerst is een woord van dank absoluut op zijn plaats voor Erica Huls: zij heeft me met alle geduld van de wereld en met een aanstekelijk enthousiasme begeleid. Wanneer ik door mijn perfectionistische aard verstrikt raakte in details, bracht zij mij weer terug naar de rode lijn. Ook Carel van Wijk wil ik graag bedanken: door zijn hulp werd het statistische gedeelte van de scriptie geen struikelblok en kreeg ik zelfs plezier in dit 'getallenwerk'. Verder gaat een woord van dank uit naar Brian MacWhinney en Jacqueline van Kampen voor het ter beschikking stellen van het gespreksmateriaal, en naar Per van de Wijst voor het deelnemen aan de examencommissie. En 'last but not least' wil ik ook mijn vriend Thijs, mijn ouders, mijn zus Annelieke en mijn beste vriendin Chantal bedanken voor hun luisterend oor en steun. Mede dankzij hun bemoedigende woorden zag ik het werken aan deze scriptie niet louter als een 'must' om de studie af te ronden, maar bleef het een heuse uitdaging, totdat de laatste letter op papier stond. II SAMENVATTING Deze scriptie heeft tot doel aan het licht te brengen in welke volgorde kinderen formuleringen voor de spreekhandeling 'directief' verwerven, en die volgorde te verklaren met een model waarin het begrip context en haar relatie met taal een belangrijke rol speelt. Daarbij is een 'directief' gedefinieerd als een uiting die functioneert als poging het gedrag van een geadresseerde te beïnvloeden. Een volwassen taalgebruiker kent tal van formuleringen om dergelijke pogingen vorm te geven, variërend van zeer directe (Doe de deur dicht) tot zeer indirecte formuleringen (Ben je in de kerk geboren). Op de vraag hoe een kind dergelijke formuleringen verwerft, bestaat vooralsnog geen eenduidig antwoord. In deze scriptie verlaten we de standaard opvatting, om een relatief nieuwe route in te slaan; we veronderstellen dat de ontwikkeling verloopt volgens het zogenoemde cirkelmodel. Dit model verklaart het raadselachtige gegeven dat directieven waarin de geadresseerde en de gewenste handeling niet geëxpliciteerd zijn (He; Ik heb het koud) al vroeg in het directieve repertoire voorkomen. Ter toetsing van het cirkelmodel is gebruik gemaakt van het Van Kampen corpus (onderdeel van het CHILDES-project). Dit bevat 50 opnames van gesprekken tussen een meisje genaamd Sarah en haar moeder, welke in thuissituaties plaatsvinden. De gesprekken zijn op regelmatige basis verkregen gedurende een periode van 3 jaar en 8 maanden: tijdens het eerste gesprek was Sarah anderhalf jaar oud; tijdens het laatste 5 jaar en 2 maanden. In totaal zijn 1354 directieven geanalyseerd op basis van hun linguïstische vorm, en zijn 32 additionele variabelen in de analyse meegenomen, om na te gaan of trends in de directieve ontwikkeling mede afhankelijk waren van veranderingen in de linguïstische of extralinguïstische omgeving. De resultaten van de directievenanalyse wijzen uit dat de ontwikkeling volgens het cirkelmodel verloopt. De directieve ontwikkeling begint zowel met uitingen waarin de geadresseerde en de gewenste handeling niet met het zinstype gegeven zijn (He!) als met uitingen waarin dit wel het geval is (Doe die deur dicht). Het repertoire breidt zich vervolgens volgens twee principes uit: in eerste instantie komen met name de zogenoemde impliciete vormen tot ontwikkeling (Ik heb het koud) als gevolg van toenemende vaardigheden in het onderscheiden en uitdrukken van motieven, omstandigheden en redenen; vervolgens komt ook de ontwikkeling van expliciete vormen meer en meer op gang, doordat het kind zijn mogelijkheden vergroot directieven in te bedden in een linguïstisch kader (Kun je de deur dicht doen?). De directieve ontwikkeling eindigt ten slotte met de verwerving van indirecte formuleringen: vormen die binnen een bepaalde context vergezocht zijn (Ben je in de kerk geboren) of zijn ingebed in een vrij uitgebreid kader (Zou je zo vriendelijk willen zijn om...). Er is onderzocht of het ontwikkelingspatroon afhankelijk was van veranderingen in de linguale en extralinguale omgeving van de directieven. Het is behoorlijk 'robuust' gebleken. Dat wil zeggen dat aspecten van de linguale en extralinguale omgeving er nauwelijks op van invloed zijn. III Inhoudsopgave 1 Inleiding Aanleiding tot het onderzoek Directieven bezien in het licht van de spreekhandelingstheorie Verwerving van directieven Standaard theorie Cirkelmodel van de directieve ontwikkeling Interpretatie van directieven 'Utterance-based' model 'Context-based' model Directieve ontwikkeling in context Mentale representatie van de directieve gebeurtenis Linguïstische- en contextuele weg naar indirectheid Hypothesen en vraagstellingen Methode Materiaal Analyze Analyse van de uitingen Analyse van de mediërende variabelen Statistische verwerking Verwerking van de hoofdvariabelen Verwerking van de mediërende variabelen Resultaten Ontwikkeling van typen en hoofdtypen Eerste gebruik van de verschillende typen directieven Leeftijdsgerelateerde veranderingen in de verdeling over de hoofdtypen Leeftijdsgerelateerde veranderingen in de uitbreiding van het directieve repertoire Inspectie van de rol van mediërende variabelen Samenvatting Conclusies & Discussie Conclusies Algemene conclusies Een vergelijking Discussie Literatuur 39 IV Inleiding 1 Inleiding 1.1 Aanleiding tot het onderzoek 1 Kader 1.1 Voorbeeld a. Thijs, schenk wat limonade voor me in. b. Kan jij wat limonade voor me inschenken? c. Ik wil limonade. d. Mag ik wat limonade? e. Zou een groot glas limonade nou niet heerlijk verkoelend zijn? Het taalvermogen van een kind ontwikkelt zich grotendeels in de eerste zes levensjaren (Schaerlaekens & Gilles, 1987). Binnen die jaren ontvouwt zich een verbluffend systeem waarmee de mens zich zeer effectief weet uit te drukken. Zo kan een volwassen taalgebruiker onder meer met taal een mededeling, belofte of suggestie doen; hij kan iets beschrijven, beweren of bezweren, en kan de wereld aan zijn wensen aanpassen, bijvoorbeeld door middel van verzoeken. De uitingen in kader 1.1 getuigen van dit laatste: het zijn pogingen het gedrag van een ander te sturen. Dit type uitingen noemt men in de spreekhandelingstheorie directieven (Searle, 1998). Ze vormen het object van het onderzoek dat in deze scriptie uit de doeken wordt gedaan. Directieven verschillen in mate van directheid. Het taallerende kind verwerft gestaag een arsenaal formuleringsvarianten variërend van volledig direct (voorbeeld a) tot zeer indirect (voorbeeld e). Op de vraag hoe deze ontwikkeling precies verloopt, bestaat geen eenduidig antwoord. De verwerving van directieven heeft lange tijd verbazend weinig aandacht gekregen (Bruner & Watson, 1983). Om een realistische theorie omtrent taal en de verwerving van taal te ontwikkelen is het volgens Ervin-Tripp noodzakelijk de context van taal beter te leren begrijpen ('leitmotiv': Ervin-Tripp, 1996, p ). Directieven vormen in deze een interessant onderzoeksobject, omdat zij in vergelijking tot andere vormen van taalgebruik, relatief sterk verstrengeld zijn met context (Bruner & Watson, 1983). Hoe context en taal met elkaar verbonden zijn, is echter nog verre van evident. Ervin-Tripp heeft verschillende vernuftige onderzoeken verricht om de complexe relatie te ontraadselen, maar moest concluderen dat de analyse van de contextuele structuur nog in de kinderschoenen staat (Ervin-Tripp, 1996). Deze scriptie rapporteert de analyse van directieven geproduceerd door een meisje genaamd Sarah (onderdeel van het CHILDES project: MacWhinney, 1995). Met deze analyse beogen we de volgorde en aard van de directieve ontwikkeling aan het licht te brengen alsmede het begrip 'context' en haar relatie met taal te concretiseren. 1 De scriptie past in de onderzoekslijn welke met het voorstel voor het onderzoeksprogramma ASPASIA (Huls, 2000) in gang is gezet en die heeft geresulteerd in een doctoraalscriptie (Van de Peppel, 2000) en in een wetenschappelijk artikel (Huls, Van de Peppel & Van Wijk, artikel in voorbereiding). 1 Inleiding 1.2 Directieven bezien in het licht van de spreekhandelingstheorie Het onderzoek beperkt zich tot een specifieke, zij het relatief veelomvattende uitingsvorm: de directief. Maar wat is een directief precies en wat onderscheidt de directief van andere uitingsvormen? Voor een beter begrip hieromtrent duiken we in de taaltheorie van Searle. Voortbouwend op een taalfilosofische traditie waarin Austin (1962) een belangrijk auteur is, ontwikkelt Searle een taaltheorie waarin het handelingsaspect van taaluitingen centraal staat. Hij stelt dat de basiseenheid van communicatie niet, zoals algemeen aangenomen werd, het symbool, het woord of de zin is, maar veeleer de productie of uiting van het symbool, het woord of de zin door de uitvoering van een spreekhandeling 2 (Searle, 1977). Een spreekhandeling bestaat uit drie verschillende soorten handelingen, die we, wanneer we iets zeggen, tegelijkertijd uitvoeren, te weten een uitingshandeling, een propositionele handeling en een illocutionaire handeling. Stel bijvoorbeeld dat een spreker het gedrag van zijn gesprekspartner wil sturen met de woorden Thijs, schenk wat limonade voor me in. Wanneer hij dit doet, beweegt hij op de eerste plaats zijn spraakorganen en spreekt hij de reeks woorden uit. Hiermee verricht hij een uitingshandeling. Daarnaast verwijst hij met de referentiehandeling naar degene die de handeling moet uitvoeren, in dit geval Thijs en kent hij aan deze persoon eigenschappen toe middels de predikatiehandeling (schenkt wat limonade in), welke tezamen de propositionele handeling vormen (Thijs schenkt wat limonade in). De uitgesproken woorden hebben ten slotte een functie in de interactie: door te spreken is een illocutionaire handeling verricht, in het voorbeeld is dat een verzoek. Naast iemand iets verzoeken kan een spreker met een uiting meer dan duizend andere illocuties verrichten. Een kleine greep uit de mogelijkheden: iets beweren (Het regent), iemand feliciteren (Gefeliciteerd!), een belofte doen (Ik beloof je te schrijven) en iemand dopen (Hierbij doop ik U Johanna Maria). We komen nu aan bij de vraag wat directieven nu precies onderscheidt van andere spreekhandelingen. Searle (1976) heeft in de verscheidenheid van spreekhandelingen een ordening aangebracht. Hij onderscheidt vijf klassen: representatieven, commissieven, expressieven, declaratieven en, waarin wij in het bijzonder geïnteresseerd zijn: directieven. Dit doet hij aan de hand van drie criteria: 1) Het eerste classificatiecriterium betreft de verschillen in de uitgedrukte geestesgesteldheid, of in Searle's woorden: de 'expressed psychological state'. Bij dit criterium gaat het erom welke houding de spreker tegenover de propositionele inhoud (referentie + predikatie) aanneemt. 2) Het tweede classificatiecriterium heeft betrekking op het 'illocutionary point', ofwel de illocutionaire functie van het type taalhandeling; het betreft datgene wat de spreker met de uiting daadwerkelijk doet. 3) Het derde classificatiecriterium is wat Searle de 'direction of fit' noemt. Daarbij gaat het om de correspondentierichting tussen woorden en wereld. Die correspondentierichting kan verschillende kanten opgaan: van woorden naar wereld, van wereld naar woorden, of beide. In het eerste geval brengt men met de uiting een verandering in de 2 De term 'spreekhandeling' wordt geprefereerd boven 'taalhandeling'. Deze terminologische voorkeur sluit aan bij Angevaare (1980:21): Het Engelse woord is 'speech acts', in het Nederlands gewoonlijk vertaald met 'taalhandelingen' of 'taaldaden', maar de term 'spreekhandeling' verdient wellicht de voorkeur, omdat deze handelingen niet aan taal, maar aan spreken gelieerd zijn. 2 Inleiding wereld teweeg; in het tweede geval geeft de uiting een beschrijving van iets in de wereld; in het laatste geval brengen de woorden de werkelijkheid in overeenstemming met de woorden. Een compleet overzicht van de vijf klassen en hun contrasterende kenmerken vindt u in tabel 1.1. In het kader van dit onderzoek zijn alleen de specifieke kenmerken van de klasse directieven nader toegelicht. De tabel toont ons dat de geestesgesteldheid (psychological state) in het geval van een directief te omschrijven is als willen, wensen of verlangen: de spreker wil datgene wat gegeven is in de propositionele inhoud van de directief. Wanneer bijvoorbeeld een spreker de geadresseerde aanstuurt met Chantal, maak eens een koprol is de geestesgesteldheid van de spreker te verwoorden als 'wensen dat Chantal (de referentie, ofwel in het geval van directieven de agens) een koprol maakt (de predikatie, ofwel de gewenste handeling). Deze uitgesproken wens functioneert als een poging de geadresseerde ertoe te bewegen een bepaalde handeling te verrichten (illocutionary point) (zie ook Ervin-Tripp, 1976 en Searle, 1998), in dit geval het maken van een koprol. Wanneer deze poging succesvol is en het verzoek is ingewilligd, brengt dit een verandering in de wereld teweeg (direction of fit). Tabel 1.1 Kenmerken van de vijf klassen spreekhandelingen KLASSEN PSYCHOLOGICAL STATE (GEESTESGESTELDHEID) ILLOCUTIONAIRY POINT (ILLOCUTIONAIRE FUNCTIE) DIRECTION OF FIT (CORRESPONDENTIE- RICHTING) directieven (o.a. verzoeken, bevelen) wensen dat p G ertoe bewegen h te doen wereld naar woorden representatieven (o.a. beweren, concluderen) geloven dat p S binden aan waarheid van p woorden naar wereld commissieven (o.a. beloven, zweren) intentie h te doen S binden aan doen van h wereld naar woorden expressieven (o.a. betreuren, begroeten) het hebben van een geestesgesteldheid eigenschap toeschrijven aan S/G geen declaratieven (o.a. dopen, benoemen) geen tot stand brengen p woorden = wereld S = spreker; G = geadresseerde; p = propositie; h = handeling 1.3 Verwerving van directieven We weten nu dat een directief functioneert als een poging het gedrag van een ander te sturen (Searle 1976, 1998; Ervin-Tripp, 1976). Een volwassen taalgebruiker kent tal van formulering om deze poging vorm te geven; formuleringen die verschillen met betrekking tot hun propositionele inhoud en illocutionaire functie, en daarmee variëren van zeer directe vormen tot zeer indirecte vormen. Hoe een kind deze verschillende formulerings- 3 Inleiding mogelijkheden verwerft is vooralsnog niet eenduidig vastgelegd. Deze scriptie zet de standaard theorie (1.3.1) op losse schroeven en pleit in voor een vernieuwende visie op de verwerving van directieven: het cirkelmodel (1.3.2) Standaard theorie Volgens de gangbare theorie begint de directieve ontwikkeling van een kind met het verwerven van directe vormen, dat wil zeggen, die formuleringen waarin de propositionele inhoud direct evident is en waarbij geen twijfel bestaat met betrekking tot de illocutionaire functie ervan (o.a. Searle, 1969, 1998; Searle, Kiefer & Bierwisch, 1980; Garvey, 1975; Huls, 1982, 1989). Een schoolvoorbeeld hiervan is de imperatief Doe de deur dicht, waarbij de handeling is verwoord (de deur dicht doen), de agens (jij) is geïmpliceerd en de illocutionaire functie (de uiting geldt als verzoek; als poging gedrag te sturen) conventioneel is uitgedrukt. De gedachte is dat dit directe repertoire pas in een later stadium wordt uitgebreid met indirecte directieven: directieven die niet de typische imperatieve vorm hebben, maar indirect worden uitgevoerd door bijvoorbeeld een vraag of een bewering. Of, algemener gesteld: spreekhandelingen die geformuleerd zijn met gebruikmaking van een zinstype dat als een 'directe' formulering voor een andere spreekhandeling wordt beschouwd (Walraven, 1979; zie ook meervoudige-illocutie-hypothese, Searle, 1979). In tegenstelling tot de zogenoemde directe directieven is dit type directief als het ware indirect met betrekking tot haar illocutionaire functie. Omdat deze niet met het zinstype gegeven is, kan hierover enige twijfel bestaan; de geadresseerde dient af te leiden dat de uiting een poging is zijn of haar gedrag te sturen. De verwerving van deze indirecte formuleringen begint volgens de standaard theorie met conventioneel indirecte vormen van het type Kan je de deur dicht doen? en Wil je de deur dichtdoen? waarbij de propositionele inhoud linguïstisch is geëxpliciteerd en is ingebed in een kader dat niet bij uitstek directief is ('matrix' in de terminologie van Garvey (1975) en 'ingebed' of 'embedded' volgens Ervin-Tripp (1976)). Pas later, aan het einde van de directieve ontwikkeling, verwerft het kind een vergaarbak aan onconventionele, 'echte' indirecte directieven: vormen waarbij zowel de handeling als de agens en het object niet genoemd worden, zoals Ik heb het koud en Ben je in de kerk geboren?. In figuur 1.1 zijn de geschetste fases in de verwerving van directieven ter verduidelijking visueel weergegeven. Figuur 1.1 Fases in de verwerving volgens de standaard theorie Fase I Direct Doe de deur dicht propositionele inhoud is expliciet; direct m.b.t. illocutionaire functie (= gegeven met zinstype) Fase II Conventioneel indirect Wil je de deur dicht doen? propositionele inhoud is expliciet; indirect m.b.t. illocutionaire functie (= afleidbaar) Fase III 'Echt' indirect Ik heb het koud impliciet m.b.t. propositionele inhoud; indirect m.b.t. illocutionaire functie (= afleidbaar) 4 Inleiding Het mag duidelijk zijn dat de ontwikkeling volgens deze standaard theorie een rechte lijn volgt; beginnend met directe formuleringsvarianten, uitbreidend naar conventioneel indirecte vormen, om ten slotte te eindigen met 'echte' indirecte varianten. Deze voor de hand liggende verwervingsvolgorde lijkt plausibel en ligt expliciet of impliciet aan de basis van vele studies aangaande de kindertaalontwikkeling (onder andere Garvey, 1975; Ervin-Tripp, 1976, 1977; Ervin-Tripp & Gordon, 1985). Empirisch onderzoek wijst echter keer op keer uit dat deze ontwikkelingsvolgorde niet optreedt: al op heel jonge leeftijd vindt men in het taalgebruik van kinderen geregeld
We Need Your Support
Thank you for visiting our website and your interest in our free products and services. We are nonprofit website to share and download documents. To the running of this website, we need your help to support us.

Thanks to everyone for your continued support.

No, Thanks