Please download to get full document.

View again

of 88
All materials on our website are shared by users. If you have any questions about copyright issues, please report us to resolve them. We are always happy to assist you.

Welke consequenties hebben wijzigingen van de opdrachtgever na het sluiten van het bouwcontract?

Category:

Travel

Publish on:

Views: 3 | Pages: 88

Extension: PDF | Download: 0

Share
Related documents
Description
Welke consequenties hebben wijzigingen van de opdrachtgever na het sluiten van het bouwcontract? Een onderzoek naar de verschillen tussen de traditionele en de geïntegreerde bouworganisatievorm Tilburg
Transcript
Welke consequenties hebben wijzigingen van de opdrachtgever na het sluiten van het bouwcontract? Een onderzoek naar de verschillen tussen de traditionele en de geïntegreerde bouworganisatievorm Tilburg University Studie: Rechtsgeleerdheid Master: Privaatrecht Departement: Bouwrecht Afstudeerbegeleider: Prof. Mr. C.E.C. Jansen Tweede beoordelaar: Mr. Dr. S. van Gulijk Suzanne Rijnders (428187) Juni 2014 Voorwoord Voor u ligt mijn masterthesis die is opgesteld in het kader van mijn afstuderen aan de Universiteit van Tilburg. Met deze masterthesis sluit ik niet alleen mijn rechtenstudie af, maar ook mijn studententijd in Tilburg. Tijdens het schrijven van deze scriptie heb ik hulp gekregen van verschillende mensen die ik door middel van dit voorwoord wil bedanken. Allereerst gaat mijn dank uit naar Professor Jansen die mij heeft begeleid gedurende het gehele proces. Zijn kritische feedback en fijne begeleiding hebben geleid tot een goede afronding van deze scriptie. Daarnaast wil ik ook mijn moeder, Ans Rijnders, bedanken voor het nalezen van de scriptie en haar tips en ideeën vanuit een niet-juridisch oogpunt. Tevens wil ik Jaap IJdema, Rikkert Hoekstra en Anouk Broekmans bedanken voor de kennismaking met het bouwrecht tijdens mijn periode als student-stagiaire bij Adriaanse van der Weel advocaten. Doordat ik met verschillende bouwrechtelijke zaken mocht meekijken tijdens mijn stageperiode, heb ik besloten het vak bouwrecht te gaan volgen en heb ik verschillende ideeën opgedaan voor deze masterthesis. Ten slotte wil ik mijn familie en vrienden bedanken voor de interesse die zij hebben getoond in de scriptie en de vorderingen daarvan. Dankzij jullie heb ik de eindstreep gehaald. Suzanne Rijnders, Tilburg, juni Inhoudsopgave 1. Inleiding Bouworganisatievormen De traditionele bouworganisatievorm: de UAV De geïntegreerde bouworganisatievorm: de UAVgc Verschillen tussen de bouworganisatievormen De bevoegdheid tot wijzigen De ontwerpfase De uitvoeringsfase Wettelijke regeling van de bevoegdheid tot wijzigen De traditionele bouworganisatievorm: de UAV De geïntegreerde bouworganisatievorm: de UAVgc Verschillen tussen de bouworganisatievormen omtrent de bevoegdheid tot wijzigen Financiële consequenties van door de opdrachtgever opgedragen wijzigingen Kostenverhogende omstandigheden Wettelijke regeling van de kostenverhogende omstandigheden De traditionele bouworganisatievorm: de UAV De geïntegreerde bouworganisatievorm: de UAVgc Meerwerk Wettelijke regeling van het meerwerk De traditionele bouworganisatievorm: de UAV De geïntegreerde bouworganisatievorm: de UAVgc Verschillen tussen de bouworganisatievormen omtrent kostenverhogende omstandigheden en meerwerk Gebreken na oplevering als gevolg van een opgedragen wijziging De oplevering Wettelijke regeling van de oplevering De traditionele bouworganisatievorm: de UAV De geïntegreerde bouworganisatievorm: de UAVgc De aansprakelijkheid voor gebreken na oplevering Wettelijke regeling van de aansprakelijkheid voor gebreken na oplevering 5.2.2 De traditionele bouworganisatievorm: de UAV De geïntegreerde bouworganisatievorm: de UAVgc Verschillen tussen de bouworganisatievormen omtrent de gebreken na oplevering Conclusie Literatuurlijst 1. Inleiding Het thema dat in deze scriptie centraal staat is de verantwoordelijkheid en soms zelfs aansprakelijkheid van de opdrachtgever tijdens of na afloop van het bouwproces wanneer er gebruik wordt gemaakt van een geïntegreerd contract. Deze geïntegreerde bouworganisatievorm is anders dan de traditionele bouworganisatievorm, omdat bij de geïntegreerde variant het ontwerpen en bouwen bij de opdrachtnemer liggen. De opdrachtnemer wordt om die reden ook vaak de ontwerpende bouwer genoemd. De geïntegreerde bouworganisatievorm geeft de opdrachtnemer meer vrijheid, omdat hij de opdracht zelf uitwerkt in een ontwerp en realiseert. Een voordeel van deze vrijheid is dat de opdrachtnemer de ruimte heeft om gebruik te maken van innovatieve ideeën en technieken, waardoor bijvoorbeeld tijd en geld kunnen worden bespaard. 1 Een keerzijde van de verhoudingsgewijs grote vrijheid die bij de opdrachtnemer wordt gelegd is dat de offerteaanvraag en contractsluiting in een vroeg stadium worden gedaan. Meestal is er dan slechts sprake van een globaal ontwerp, waardoor het voor de opdrachtnemer lastiger in te schatten is welke werkzaamheden er moeten worden uitgevoerd. Ook voor de opdrachtgever is het vroege stadium waarin de offerteaanvraag en contractsluiting plaatsvindt lastig, aangezien de werkzaamheden voor hem ook niet volledig in te schatten zijn. Zo zou het kunnen gebeuren dat de opdrachtgever na contractsluiting nog wijzigingen wil aanbrengen in de eisen die zijn neergelegd in het contract. De vraag ontstaat of dit in dat stadium nog wel mogelijk is, aangezien er gekozen is voor een geïntegreerde bouworganisatievorm, waar de opdrachtnemer veel vrijheid heeft met betrekking tot het ontwerp en veel bemoeienis van de opdrachtgever in principe niet gewenst is. Mocht het mogelijk zijn de eisen na het sluiten van het contract toch te wijzigen, wat zijn dan vervolgens de rechtsgevolgen voor de opdrachtgever wanneer de met de wijziging gemoeide kosten hoger zijn dan vooraf is begroot? Daarnaast is het ook mogelijk dat de opgedragen wijziging tot gevolg heeft dat er meerwerk ontstaat of dat er een constructiefout wordt ontdekt. Indien deze voorbeelden zich voordoen, is de opdrachtgever dan aansprakelijk? 1 J.K. de Schipper, Geïntegreerde bouwcontracten en het verwachtingspatroon van de opdrachtgever. Het juridische belang van de vraagspecificatie, BR 2007, p Bovenstaande vragen met betrekking tot de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever bij gebruikmaking van een geïntegreerd contract staan centraal in dit onderzoek. De te beantwoorden onderzoeksvraag is de volgende: Welke consequenties heeft het gebruik van een geïntegreerde bouworganisatievorm tijdens het bouwproces voor de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever, wanneer hij na het sluiten van het contract de eisen waaraan het te realiseren werk volgens het contract moet voldoen, wil wijzigen? Om deze onderzoeksvraag te kunnen beantwoorden, zijn vier deelvragen opgesteld. Deze deelvragen worden ieder uitgewerkt per hoofdstuk. De deelvragen die aan bod komen zijn de volgende: 1. Wat zijn de belangrijkste verschillen tussen de traditionele en de geïntegreerde bouworganisatievorm? 2. Wat is de reikwijdte van de wijzigingsbevoegdheid van de opdrachtgever om de eisen na totstandkoming van het geïntegreerde contract te wijzigen en in hoeverre verschilt deze met het traditionele contract? 3. Hoe worden de consequenties van een wijziging na het sluiten van het geïntegreerde contract tussen contractspartijen verdeeld wanneer de overeengekomen aanneemsom niet meer toereikend is om de uitvoering van de eisen financieel af te dekken en welke overeenkomsten en verschillen bestaan er wat dat betreft met het traditionele contract? 4. Hoe worden de consequenties van een wijziging van de eisen, welke is opgedragen door de opdrachtgever, na het sluiten van het geïntegreerde contract tussen contractspartijen verdeeld, wanneer die wijziging tot een ontwerpfout leidt die de opdrachtnemer over het hoofd ziet waardoor een gebrek in het werk ontstaat, en welke overeenkomsten en verschillen bestaan er wat dat betreft met het traditionele contract? In het tweede hoofdstuk van deze scriptie staat de eerste deelvraag centraal, waarin de bouworganisatievormen uiteengezet worden. De bouworganisatievormen die besproken worden zijn de traditionele bouworganisatievorm en de geïntegreerde bouworganisatievorm. Bij de bespreking van deze bouworganisatievormen wordt er ingegaan op de belangrijkste juridische kenmerken van de bouworganisatievormen en de relatie tussen de opdrachtgever en de aannemer of de opdrachtnemer. Ook worden de verplichtingen van de opdrachtgever, de adviseur, de aannemer en de opdrachtnemer per bouworganisatievorm uiteengezet. Bij het beantwoorden van deze eerste deelvraag wordt allereerst gebruik gemaakt van Titel 7.7 en 7.12 BW, aange- 6 zien deze wettelijke bepalingen van toepassing zijn op beide bouworganisatievormen. Ook zijn er gestandaardiseerde algemene voorwaarden van toepassing op de beide bouworganisatievormen, namelijk de DNR 2011, de UAV 2012 en de UAVgc In zowel het BW als in de gestandaardiseerde algemene voorwaarden zijn de verplichtingen van de contractspartijen beschreven. De verplichtingen die in deze scriptie voornamelijk aan bod komen zijn de prestatieplicht en de waarschuwingsplicht. Per bouworganisatievorm komen de verplichtingen van iedere contractspartij aan bod. Na de uiteenzetting van die verplichtingen wordt de traditionele bouworganisatievorm vergeleken met de geïntegreerde bouworganisatievorm om de belangrijkste verschillen tussen beide bouworganisatievormen in kaart te brengen. Deze belangrijkste verschillen hebben betrekking op de kenmerken van de bouworganisatievormen en de verplichtingen zoals de prestatieplicht en de waarschuwingsplicht van de opdrachtgever en de aannemer, dan wel opdrachtnemer. In het derde hoofdstuk komt de tweede deelvraag aan bod. De tweede deelvraag betreft de reikwijdte van de wijzigingsbevoegdheid van de opdrachtgever na contractsluiting. De opdrachtgever heeft namelijk in een vroeg stadium het contract met de opdrachtnemer gesloten, waarna hij vaak in een later stadium de overeengekomen eisen wil wijzigen aangezien niet alle werkzaamheden op voorhand zijn in te schatten. Bij beantwoording van deze deelvraag wordt allereerst art. 7:755 BW besproken, aangezien deze wettelijke bepaling uit Titel 7.12 BW van toepassing is op beide bouworganisatievormen. Ook wordt de UAVgc 2005 geraadpleegd en dan voornamelijk hoofdstuk 7, waar onder andere de bepalingen omtrent wijzigingen zijn opgenomen. Ook komt de UAV 2012, de gestandaardiseerde algemene voorwaarden voor de traditionele bouworganisatievorm, aan bod en dan voornamelijk hoofdstuk 10, waar onder andere de bepalingen omtrent bestekswijzigingen en meer- en minderwerk zijn opgenomen. Aan de hand van de UAVgc 2005 en de UAV 2012 wordt een onderzoek gedaan naar de reikwijdte van de wijzigingsbevoegdheid en de voorwaarden waaraan deze wijziging moet voldoen. Daarna worden de verschillen in de reikwijdte van de wijzigingsbevoegdheid van de bouworganisatievormen benoemd en besproken. De laatste twee deelvragen betreffen de rechtsgevolgen van de wijziging door de opdrachtgever. In hoofdstuk vier is de derde deelvraag opgenomen. In deze deelvraag wordt ingegaan op de financiële consequenties van de wijziging na contractsluiting. Doordat de opdrachtgever in een later stadium de eisen heeft veranderd, is het mogelijk dat de overeengekomen aanneemsom wordt overschreden door de aannemer. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op kostenverhogende omstandigheden en het meerwerk dat door de opgedragen wijzigingen van de opdrachtgever 7 kan ontstaan. In de eerste paragraaf is er aandacht besteed aan de kostenverhogende omstandigheden, die onder andere van buitenaf komende omstandigheden betreffen. Een voorbeeld hiervan is zware regenval. Ook kunnen kostenverhogende omstandigheden ontstaan indien de door de opdrachtgever verstrekte gegevens niet kloppen. Deze situatie kan zich voordoen als de opdrachtgever een wijziging opdraagt. In de tweede paragraaf is het onderwerp meerwerk uiteengezet, dat kan ontstaan nadat de opdrachtgever een wijziging heeft opgedragen aan de opdrachtnemer, waardoor mogelijk de overeengekomen aanneemsom wordt overschreden. Aan het begin van iedere paragraaf worden allereerst de wettelijke bepalingen van Titel 7.12 BW behandeld, waarna de UAV 2012 en UAVgc 2005 worden besproken. In de laatste paragraaf worden de verschillen tussen de regelingen van beide bouworganisatievormen benoemd en besproken met betrekking tot de kostenverhogende omstandigheden en het meerwerk. In hoofdstuk vijf wordt de vierde deelvraag behandeld. De vierde deelvraag gaat in op de rechtsgevolgen van een gebrek in het werk wanneer door de opdrachtgever de eisen na contractsluiting zijn gewijzigd. De veronderstelling is dat er door deze wijziging van de opdrachtgever een fout in het ontwerp wordt gemaakt. Door deze fout ontstaat er een gebrek in het werk, waarbij het mogelijk is dat dit gebrek pas wordt opgemerkt na de oplevering. Doordat de mogelijkheid bestaat dat het gebrek pas na oplevering wordt opgemerkt, is de eerste paragraaf gewijd aan de oplevering. Over het algemeen is de aannemer na de oplevering niet meer aansprakelijk voor gebreken in het werk, althans niet voor zover die gebreken ten tijde van de oplevering zichtbaar waren. Het BW, de UAV 2012 en de UAVgc 2005 kennen ieder een uitzondering op deze hoofdregel. Ook wordt er opgemerkt dat deze uitzonderingen van elkaar verschillen. In de tweede paragraaf van hoofdstuk vijf wordt de aansprakelijkheid voor de gebreken na oplevering besproken. Net als bij de derde deelvraag komt ook de verantwoordelijkheid voor de gevolgen die deze wijziging van eisen met zich meebrengt aan bod. Aan de hand van de wet en de gestandaardiseerde voorwaarden wordt de aansprakelijkheid voor de gebreken, die als gevolg van een opgedragen wijziging ontstaan en aan het licht komen na oplevering, benoemd en besproken. In de laatste paragraaf worden de verschillen tussen beide bouworganisatievormen besproken met betrekking tot die aansprakelijkheid. Deze verschillen hebben betrekking op de ontwerpkeuzes van de opdrachtgever, de waarschuwingsplicht van de aannemer en opdrachtnemer, de deskundigheid van partijen en de voorgeschreven constructie. Naar mijn mening is dit onderzoek interessant omdat beide bouworganisatievormen onderzocht worden. De traditionele en de geïntegreerde bouworganisatievorm bestaan naast elkaar maar hebben ieder dezelfde uitgangspunten uit het BW. In de bouwpraktijk worden de grenzen tus- 8 sen beide bouworganisatievormen regelmatig opgezocht, hetzij door traditioneel te contracteren, maar elementen te gebruiken die voorkomen in het geïntegreerd werken, hetzij door juist het omgekeerde te doen. 2 Jansen heeft verschillende malen voorgesteld om daarom de UAV 2012 en de UAVgc 2005 te integreren, zodat er één set van uniforme juridisch-administratieve voorwaarden ontstaat. 3 Anderen, zoals Van den Berg en Chao-Duivis, vonden deze voorstelling van zaken iets te simpel, aangezien de geïntegreerde bouworganisatievorm is bedoeld om het ontwerp en de uitvoering te integreren. 4 Van den Berg geeft aan dat hij het te ver vindt gaat dat de UAVgc ook de mogelijkheid te bieden dat de opdrachtgever het ontwerp zelf verzorgt. Van den Berg stelt daarbij de vraag: wat valt er dan nog te integreren 5? Tegen deze achtergrond vind ik het interessant om de verschillen in kaart te brengen tussen de traditionele en de geïntegreerde bouworganisatievorm. Daarbij zullen in ieder hoofdstuk verschillende onderwerpen passeren, zoals meerwerk, kostenverhogende omstandigheden en gebreken na de oplevering. Op dit moment bestaan de traditionele en de geïntegreerde bouworganisatievorm naast elkaar en hebben beiden ieder hun eigen set van gestandaardiseerde algemene voorwaarden. Ruim twee jaar geleden zijn de UAV 2012 in werking getreden als gestandaardiseerde algemene voorwaarden voor de traditionele bouworganisatievorm. De voorganger van de UAV 2012 is de UAV In 2004 is besloten de UAV 1989 te herzien in verband met de invoering van het nieuwe BW en de nieuwe Titel 7.12 BW, maar ook om ontwikkelingen in de jurisprudentie en nieuwe inzichten te verdisconteren. 6 Eén van de voorstanders hiervan was Van den Berg, die vond dat de UAV een stevige renovatiebeurt nodig had. 7 In deze scriptie is onder andere aandacht besteedt aan een aantal onderwerpen die ook tijdens de herziening aan bod zijn gekomen. Een voorbeeld daarvan is de waarschuwingsplicht van de aannemer, die is opgenomen in art. 7:755 BW en die aan de UAV toegevoegd diende te worden. 8 Ook wordt er in deze scriptie aandacht besteedt aan paragraaf 12 UAV 2012; een paragraaf die volgens verschillende critici 2 Universitair nieuws, NJB 2014/ C.E.C. Jansen, Een werk tot stand brengen. Over de integratie van de UAV in de UAVgc, (Rede Tilburg), Tilburg 2014, p.5. 4 M.A.M.C. van den Berg, Renovatie van een kroonjuweel. Voorstellen voor herziening van de UAV 1989, BR 2004, p M.A.M.C. van den Berg, Renovatie van een kroonjuweel. Voorstellen voor herziening van de UAV 1989, BR 2004, p W.J.M. Herber, Herziening UAV 1989, BR 2004, p.1032; G.L. van t Hoff, De herziening van par. 12 UAV 1989, een voorstel tot meerwerk, BR 2011/68, p G.L. van t Hoff, De herziening van par. 12 UAV 1989, een voorstel tot meerwerk, BR 2011/68, p M.R. Boer, De toekomst van een kroonjuweel, De lichte herziening van de UAV 2012 en de Aedes aannemingsovereenkomst, TBR 2012/160, p te licht is herzien. 9 Door in het begin van ieder hoofdstuk een situatie te schetsen zoals het meerwerk dat kan ontstaan door een wijziging van de opdrachtgever en daarbij de situatie te belichten vanuit het BW, de UAV 2012 en de UAVgc 2005, worden de verschillen tussen beide bouworganisatievormen zichtbaar. Door de situaties vanuit verschillende invalshoeken te bekijken, zoals de jurisprudentie, recente ontwikkelingen en discussies wordt het onderzoek in een breed kader geplaatst. Door middel van dit onderzoek wil ik inzicht verschaffen in de bouworganisatievormen, op welke vlakken de bouworganisatievormen met elkaar verschillen en of deze verschillen daadwerkelijk problematisch zijn. Ik hoop daarmee een bijdrage te leveren aan de huidige stand van de wetenschap. De onderzoeksmethode die in deze scriptie wordt gebruikt is dogmatisch onderzoek aan de hand van wet- en regelgeving. Zo is er onderzoek gedaan naar het BW, de UAV 2012, de UAVgc 2005, DNR 2011 en jurisprudentie van de overheidsrechter en de Raad van Arbitrage. Daarnaast is er ook literatuuronderzoek verricht, waarbij naslagwerken zoals de Asser-serie zijn gebruikt, handboeken zijn bestudeerd en relevante artikelen uit erkende tijdschriften zijn geraadpleegd. 9 W.J.M. Herber, Voorstel herziening par. 12 UAV 1989: een gemiste kans, TBR 2011/5, p. 420; G.L. van t Hoff, De herziening van par. 12 UAV 1989, een voorstel tot meerwerk, BR 2011/68, p 2. Bouworganisatievormen Wanneer een opdrachtgever een bouwproject wil starten zal hij verschillende partijen moeten benaderen om het bouwwerk daadwerkelijk te kunnen realiseren. Met deze partijen zal hij afspraken moeten maken, die doorgaans worden vastgelegd in contracten. Er bestaan verschillende soorten van deze bouwcontracten, welke ruwweg geplaatst kunnen worden onder twee bouworganisatievormen, namelijk de traditionele en de geïntegreerde bouworganisatievorm. 10 Met de keuze van een van deze bouworganisatievormen legt de opdrachtgever niet alleen zijn afspraken vast, maar bepaalt hij ook zijn eigen rol in het bouwproces. 11 In dit hoofdstuk zal er een uiteenzetting op hoofdlijnen worden gegeven van de traditionele en de geïntegreerde bouworganisatievorm en de daaruit voortvloeiende verplichtingen. Ook worden de verschillen tussen beide bouworganisatievormen besproken. De deelvraag die in dit hoofdstuk centraal staat is dan ook: Wat zijn de belangrijkste verschillen tussen de traditionele en de geïntegreerde bouworganisatievorm? De beantwoording van deze deelvraag is voor de deelvragen die in de volgende hoofdstukken worden beantwoord relevant. De volgende deelvragen schetsen ieder een verschillende situatie, maar zullen steeds bezien worden vanuit beide bouworganisatievormen. 2.1 De traditionele bouworganisatievorm: de UAV 2012 Het bouwproces vangt doorgaans aan met het idee van de opdrachtgever om te gaan bouwen waarbij hij het nodige vooronderzoek doet. 12 Om dit idee te realiseren zal er een ontwerp gemaakt moeten worden. Dit ontwerp wordt gemaakt door de adviseur. Voor de uitvoering van het ontwerp wordt ook een andere partij ingeschakeld, namelijk de aannemer. 13 De vorm die hierdoor ontstaat wordt ook wel de klassieke drieho
Similar documents
View more...
Search Related
We Need Your Support
Thank you for visiting our website and your interest in our free products and services. We are nonprofit website to share and download documents. To the running of this website, we need your help to support us.

Thanks to everyone for your continued support.

No, Thanks