Please download to get full document.

View again

of 22
All materials on our website are shared by users. If you have any questions about copyright issues, please report us to resolve them. We are always happy to assist you.

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Category:

Entertainment & Media

Publish on:

Views: 12 | Pages: 22

Extension: PDF | Download: 0

Share
Related documents
Description
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar Wijziging van belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002 IV Herziening successieen schenkingsrecht, BTW-maatregelen, artiesten- en sportersregeling,
Transcript
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar Wijziging van belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002 IV Herziening successieen schenkingsrecht, BTW-maatregelen, artiesten- en sportersregeling, alsmede overige aanpassingen) A ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT 1 Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 29 augustus 2001 en het nader rapport d.d. 12 september 2001, aangeboden aan de Koningin door de staatssecretaris van Financiën. Het advies van de Raad van State is cursief afgedrukt. Bij Kabinetsmissive van 24 juli 2001, no , heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002 IV Herziening successie- en schenkingsrecht, BTW-maatregelen, artiesten- en sportersregeling, alsmede overige aanpassingen). Blijkens de mededeling van de Directeur van uw kabinet van 24 juli 2001, , machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies inzake het bovengenoemde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 29 augustus 2001, no. W /IV, bied ik u hierbij aan. 1 De oorspronkelijke tekst van het voorstel van wet en van de memorie van toelichting zoals voorgelegd aan de Raad van State is ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer. Het belastingplan voor het jaar 2002 is verdeeld over een viertal wetsvoorstellen. In het Belastingplan 2002 IV zijn de maatregelen opgenomen voor de herziening van het successie- en schenkingsrecht, de omzetbelasting, de artiesten- en sportersregeling alsmede de overige aanpassingen. De Raad van State heeft bedenkingen bij het voorstel een pseudo-bijzonder tarief over de overlijdenswinst in de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) in te voeren en zeer ernstige bedenkingen bij de mogelijkheid het tarief van de optionele eindheffing achteraf voor buitenlandse artiesten en beroepssporters bij ministeriële regeling te variëren, omdat het tarief als één van de essentialia van een heffingswet in de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) volledig moet worden opgenomen. De invoering van een nieuw loonbelastingregime voor buitenlandse gezelschappen lijkt op dit moment ook niet direct noodzakelijk omdat de administratieve problemen binnen het huidige regime met enkele aanpassingen opgelost zouden kunnen worden. De gedeeltelijke overneming van de voorstellen van de werkgroep Modernisering successiewetgeving mogen het zicht op een herijking van de tariefstructuur van het successierecht niet wegnemen. Tevens acht de Raad de invoering van een nieuwe wijze van waardebepaling van ondernemingsvermogen voor het successierecht ontoereikend toegelicht, waardoor grote onduidelijkheden blijven over de praktische uitwerking daarvan. Daarnaast plaatst de Raad kanttekeningen bij de wijze waarop enkele andere maatregelen technisch vorm hebben gekregen. KST55513 ISSN Sdu Uitgevers s-gravenhage 2001 Tweede Kamer, vergaderjaar , , A 1 Naar aanleiding van het advies van de Raad merk ik het volgende op. 1. Thematische opzet Het Belastingplan 2002 wordt in vier wetsvoorstellen aangeboden, die zijn opgezet rond een viertal thema s. Het thematisch onderbrengen van de voorstellen in afzonderlijke wetsvoorstellen biedt voor de in drie van de vier voorstellen gebundelde maatregelen een duidelijk inzicht in de beleidsmatige samenhang van die maatregelen. Als zodanig verdient deze thematische opzet waardering. Naar het oordeel van de Raad wordt aan deze opzet afbreuk gedaan door in de toelichting op het wetsvoorstel de budgettaire en administratieve lasten en de Europese en personele aspecten voorzover zij betrekking hebben op het voorstel niet op te nemen. De toelichting op elk wetsvoorstel, ook al vormen de voorstellen tezamen het Belastingplan 2002, dient zelfstandig leesbaar en volledig te zijn. De Raad adviseert de toelichting op deze punten aan te vullen. 1. Thematische opzet Bij de opzet van het Belastingplan 2002 is gekozen voor een thematische onderverdeling van de maatregelen over de verschillende wetsvoorstellen. Het doet mij deugd dat de Raad deze opzet waardeert. In de memorie van toelichting op het eerste deel van het Belastingplan 2002 is aangegeven dat ervoor is gekozen om vanwege de onderlinge samenhang van de verschillende wetsvoorstellen, de budgettaire paragraaf en de paragrafen inzake Europeesrechtelijke aspecten, de aspecten wat betreft administratieve lasten, de personele aspecten en uitvoeringsaspecten op te nemen in het eerste deel. Op deze wijze wordt het integrale beeld van samenhangende maatregelen gepresenteerd waarvoor bij de voorbereiding van de begroting voor 2002 is gekozen. Nu het mij vanwege de samenhang wenselijk lijkt dat de hiervoor genoemde maatregelen in hun (brede) context worden beoordeeld, zijn er twee mogelijkheden. De eerste mogelijkheid is dat in de memorie van toelichting op één wetsvoorstel (i.c. deel I) het integrale beeld wordt gepresenteerd. De tweede mogelijkheid is dat in de memorie van toelichting op elk van de vijf afzonderlijke wetsvoorstellen het integrale beeld wordt gepresenteerd. Naar mijn mening biedt de eerste mogelijkheid het meeste inzicht. Ik heb dus geen aanleiding gezien de memorie van toelichting op dit punt aan te vullen. 2. Tijdelijke referendumwet Op grond van de Tijdelijke referendumwet (Trw) kan ook over het Belastingplan 2002 IV een referendum worden gehouden. Aan dit aspect is in de toelichting geen aandacht gegeven. Gelet op de in de artikelen 11 en 12 Trw genoemde termijnen is het onaannemelijk dat als tijdstip van inwerkingtreding van het Belastingplan 2002 IV 1 januari 2002 gehaald wordt, indien de Trw voor 1 oktober 2001 in het Staatsblad wordt geplaatst. Op grond van artikel 16 Trw kan, indien de inwerkingtreding van een wet geen uitstel kan lijden, onder verwijzing naar dat artikel in de desbetreffende wet de inwerkingtreding in afwijking van de artikelen 12 en 13 Trw worden geregeld. Naar het oordeel van de Raad is er op grond van de samenhang met de begrotingswetten 2002 reden het Belastingplan 2002 IV op 1 januari 2002 in werking te laten treden. De Raad adviseert het Belastingplan 2002 IV aan te vullen met een regeling als bedoeld in artikel 16 Trw. 2. Tijdelijke referendumwet De Raad merkt op dat geen aandacht is gegeven aan de mogelijkheid dat op grond van de Tijdelijke referendumwet over het Belastingplan 2002 deel IV een referendum wordt gehouden. Indien de Tijdelijke referendumwet voor 1 oktober 2001 in het Staatsblad wordt geplaatst acht de Raad het, gelet op de gehanteerde termijnen in de Tijdelijke referendumwet, onaannemelijk dat als tijdstip van inwerkingtreding van het Belastingplan 2002 deel IV 1 januari 2002 gehaald wordt. De Raad adviseert daarom een regeling op te nemen als Tweede Kamer, vergaderjaar , , A 2 bedoeld in artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet, welke voor wetten waarvan de inwerkingtreding geen uitstel kan lijden, voorziet in een inwerkingtreding in afwijking van de in die wet voorgeschreven termijnen. In de brief die de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 13 juli 2001, na aanvaarding van de Tijdelijke referendumwet door de Eerste Kamer, aan de Voorzitter van de Tweede en de Eerste Kamer der Staten- Generaal heeft gezonden (TK vergaderjaar , , nr. 36 en EK vergaderjaar , , nr. 216g) is aangegeven dat met het oog op een goede uitvoering van de wet bevorderd zou worden dat de wet op 1 januari 2002 in werking treedt. Inmiddels is de Tijdelijke referendumwet in het Staatsblad geplaatst en wel op 4 september 2001 (Stb. 388). Artikel 171 van de Tijdelijke referendumwet bepaalt dat de inwerkingtreding geschiedt met ingang van de eerste dag van de vierde kalendermaand na de dag van uitgifte van het Staatsblad waarin de wet wordt geplaatst. Dat betekent dat nu ook vaststaat dat de datum van inwerkingtreding 1 januari 2002 is. Bij een inwerkingtreding op 1 januari 2002 is de Tijdelijke referendumwet niet van toepassing op het Belastingplan 2002 deel IV. Artikel 169 van de Tijdelijke referendumwet bepaalt immers: «Deze wet is niet van toepassing op wetten die zijn bekrachtigd (...) voor de inwerkingtreding van deze wet». Omdat bekrachtiging van het Belastingplan 2002 deel IV voorzien is vóór 1 januari 2002 is in de wettekst en de toelichting geen aandacht besteed aan de niet van toepassing zijnde Tijdelijke referendumwet. Overigens deel ik de mening van de Raad dat de diverse wetten die onderdeel uitmaken van het Belastingplan 2002 in aanmerking zouden komen voor een regeling als bedoeld in artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet, indien deze wel van toepassing zou zijn geweest op het Belastingplan De inwerkingtreding van een Belastingplan kan immers geen uitstel lijden. In de komende Belastingplannen zal dan ook, conform het advies van de Raad, een regeling als bedoeld in artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet worden opgenomen. 3. Herstel Wet IB 2001 De omvangrijke en tijdens de parlementaire behandeling steeds complexer geworden Belastingherziening 2001 leidde haast onvermijdelijk tot het binnensluipen van foutieve verwijzingen of het ontbreken van verwijzingen, onduidelijkheden en andere onjuistheden. Het herstel van zodanige onjuistheden vormt de technische afronding van het wetgevingsproces met betrekking tot de Wet IB 2001 en de met de invoering van de Wet IB 2001 samenhangende wijzigingen van andere heffingswetten. De Raad is van oordeel dat in op dat herstel van technische omissies gerichte wetgeving ook belastende bepalingen met terugwerkende kracht tot de invoeringsdatum van de Wet IB 2001 mogen worden opgenomen mits sprake is van ondergeschikte wetswijzigingen die redelijkerwijs verwacht mochten worden omdat zij duidelijk uit het in de wet vastgelegde stelsel voortvloeien of omdat zij duidelijk kenbare fouten en omissies herstellen. Deze wetgeving hangt zozeer samen met die van de Wet IB 2001 dat eenzelfde tijdstip van inwerkingtreding in de rede ligt. Deze lijn heeft de Raad onder meer bij de advisering over het wetsvoorstel herstel van enige onjuistheden (Kamerstukken II 2000/01, ) gevolgd. Uiteraard kan na verloop van enige tijd niet meer van deze samenhang gesproken worden. De Raad zal de wijzigingen van de Wet IB 2001 die na 1 januari 2002 aan hem worden aangeboden, in ieder geval niet meer kwalificeren als «technische herstel- of veegwetten». Voorgestelde terugwerkende kracht van ook technische reparatiemaatregelen zal daarna onverkort worden getoetst aan het kader dat ook in de notitie inzake terugwerkende kracht (Kamerstukken II 1996/97, ) is opgenomen. De Raad merkt op, dat ook in de Belastingplannen 2002 I IV voorstellen worden gedaan, die als herstel van omissies in de Wet IB 2001 zijn aan te merken. In Belastingplan 2002 III is een verduidelijking van artikel 3.86 Wet IB 2001 (fietsaftrek) opgenomen, die terugwerkt tot 1 januari De voorgestelde aanvullingen en wijzigingen van de artikelen 3.143, 6.13 en 8.9 Wet IB 2001 kunnen eveneens worden gezien als herstel van onvolkomenheden van de Wet IB Daarbij is echter geen aandacht gegeven aan het tijdstip van inwerkingtreding, hoewel de voorgestelde wijzigingen in de rede liggende aanvullingen op het stelsel vormen of begunstigend zijn. Tweede Kamer, vergaderjaar , , A 3 De Raad adviseert in de toelichting nader in te gaan op het karakter van de voorgestelde wijzigingen van de artikelen 3.143, 6.13 en 8.9 Wet IB 2001 en daarbij tevens aandacht te geven aan het tijdstip van inwerkingtreding. 3. Herstel Wet IB 2001 De Raad adviseert in de toelichting nader in te gaan op het karakter van de voorgestelde wijzigingen van de artikelen 3.143, 6.13 en 8.9 Wet IB Hierop kan ik antwoorden dat in de toelichting is aangegeven dat met de voorgestelde wijzigingen onvolkomenheden in de desbetreffende bepalingen worden hersteld. Met de voorgestelde wijzigingen worden de wetteksten in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever gebracht. Gelet op het karakter van deze wijzigingen zal hieraan terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2001 worden verleend. 4. Overlijdenswinst Bij het overlijden van een ondernemer wordt de onderneming geacht tegen de waarde die in het economische verkeer aan dat vermogen kan worden toegekend, op het onmiddellijk aan het overlijden voorafgaande tijdstip te zijn overgedragen aan degene aan wie het krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht toekomt (artikel 3.58 Wet IB 2001). Het verschil tussen die waarde en de boekwaarde van de onderneming wordt belast tegen het progressieve tabeltarief. Onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964) gold in deze gevallen een bijzonder tarief van 20%. Voorgesteld wordt als een tegemoetkoming voor het vervallen van dit bijzondere tarief renteloos uitstel van tien jaar van de belastingbetaling over de overlijdenswinst te geven. De Raad ziet geen reden voor deze faciliteit. In de eerste plaats is tijdens de parlementaire behandeling van de Wet IB 2001 uitvoerig gemotiveerd om welke redenen de bijzondere tarieven, die de Wet IB 1964 kende, dienen te vervallen (Kamerstukken II 1998/99, , A, punt 134, en 1999/2000, , nr. 7, blz en nr. 17, blz , Handelingen II 27 januari 2000, blz. 3242; Kamerstukken I 1999/2000, en , nr. 202a, blz.19 21, Handelingen I 9 mei 2000, blz ). Er is in de toelichting geen motivering gegeven dat het eerder ingenomen standpunt onjuist is geweest. Zo er thans wel redenen zouden zijn te geven dat één of meer bijzondere tarieven in de Wet IB 2001 moeten worden opgenomen, is een rechtstreeks opnemen van dat bijzondere tarief geboden en dient niet te worden gegrepen naar een indirecte en systeemvreemde maatregel als een belastinguitstel. Indien de onderneming na het overlijden van de ondernemer aan een niet-erfgenaam wordt verkocht, ontstaat door het belastinguitstel een niet te motiveren tijdsafstand tussen het genieten van de opbrengst en de belastingbetaling over de overlijdenswinst. In de tweede plaats behoeft, zoals in het nader rapport inzake het voorstel van Wet IB 2001 nadrukkelijk is gesteld, in het geval van voortzetting van de onderneming door een erfgenaam geen afrekening over de overlijdenswinst plaats te vinden mits de boekwaarden van het ondernemingsvermogen worden doorgeschoven (artikel 3.62 Wet IB 2001). In die gevallen is dus geen sprake van cumulatie van inkomstenbelasting en successierecht, hetgeen één van de motieven voor het lage bijzondere inkomstenbelastingtarief was. Anders dan onder de Wet IB 1964 bestaat de mogelijkheid van afrekenen tegen 20% en afschrijven tegen het tabeltarief over de «afgerekende meerwaarden» niet meer, maar het doen vervallen van die mogelijkheid is uitdrukkelijk beoogd (Kamerstukken II 1998/99, , A, blz.100 en nr. 7, blz. 82). Afrekenen tegen het tabeltarief met uitstel van belastingbetaling en afschrijven over de afgerekende meerwaarden eveneens tegen het tabeltarief wegen in belangrijke mate tegen elkaar op, afhankelijk van de afschrijvingsperiode van het bedrijfsmiddel. Uit dien hoofde is de faciliteit van te beperkte betekenis om als systeemvreemd element in te voeren. In de derde plaats is de betekenis van de maatregel temeer beperkt nu bij de waardebepaling van het ondernemingsvermogen voor het successierecht volledig met belastinglatenties rekening gehouden kan worden door de invoering van de nieuwe waardebepaling in die wet. Ook zonder afrekening in de inkomstenbelastingsfeer wordt nu dus al rekening gehouden met de inkomstenbelastingheffing over de overlijdenswinst bij de successierechtheffing. Tweede Kamer, vergaderjaar , , A 4 Aansluitend bij de stelling in het nader rapport inzake het voorstel van Wet IB 2001, dat voorzover al maatregelen gewenst zijn dan daarbij veeleer aan de heffing van het successierecht gedacht moet worden dan aan maatregelen in de sfeer van de inkomstenbelasting, ziet de Raad de noodzaak voor de faciliteit niet in. De Raad adviseert artikel 2.8 Wet IB 2001 niet te wijzigen en het nieuwe artikel 25, zeventiende lid, van de Invorderingswet 1990 niet op te nemen. 4. Overlijdenswinst Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet IB 2001 is, zoals de Raad terecht opmerkt, uitvoerig gesproken over het voorstel de bijzondere tarieven, die de Wet IB 1964 kende, te laten vervallen. Tijdens die parlementaire behandeling is ook in het bijzonder aandacht besteed aan het vervallen van het bijzonder tarief voor stakingswinst bij overlijden. Dit heeft erin geresulteerd dat aan de Eerste Kamer is toegezegd dat bij de voorbereiding van het kabinetsstandpunt over de voorstellen van de werkgroep Moltmaker vanuit een positieve grondhouding zal worden bezien of er nog specifiek iets moet worden gedaan voor het vervallen in de inkomstenbelasting van het 20%-tarief voor stakingswinst bij overlijden (Handelingen I 9 mei 2000, blz. 1255). De nu voorgestelde maatregel is een invulling van deze toezegging, zoals wordt opgemerkt aan het slot van onderdeel 2.1 van het Algemeen deel van de toelichting. Zoals ook in onderdeel van het kabinetsstandpunt over het rapport van de werkgroep Moltmaker (Kamerstukken II 2000/2001, , nr.1) is verwoord, onderkent het kabinet de problemen die kunnen optreden bij de gelijktijdige heffing van inkomstenbelasting en successiebelasting en de nu voorgestelde maatregel strekt er toe deze problemen te verzachten. Het effect van de maatregel is tweeledig: enerzijds krijgen de erfgenamen door het verleende uitstel meer tijd om zich op de na het overlijden ontstane situatie in te stellen en anderzijds wordt door de renteloosheid van het uitstel de belastingheffing de facto gemitigeerd. De vormgeving van de maatregel is zodanig gekozen dat de mitigatie van de belastingheffing niet leidt tot de, ongewenste, introductie van een bijzondere tarief in de Wet IB De Raad merkt terecht op dat bij gebruikmaking van een doorschuifregeling geen samenloop optreedt van inkomstenbelasting ter zake van overlijdenswinst en successierecht. In een dergelijk geval kan echter ook geen gebruik worden gemaakt van de thans voorgestelde faciliteit. De faciliteit komt pas aan de orde indien geen gebruik wordt gemaakt van een doorschuifregeling; in die situaties zal, anders dan de Raad meent, ook geen sprake zijn van latente inkomstenbelastingclaims. In die gevallen treedt een samenloop op van de heffing van inkomstenbelasting en successiebelasting en ik ben dan ook, anders dan de Raad, van mening dat met de nu voorgestelde maatregel een goede invulling wordt gegeven aan de in het parlement gedane toezegging op dit punt, onder handhaving van het beginsel dat in de Wet IB 2001 geen plaats is voor bijzondere tarieven. 5. Tarief optionele eindheffing achteraf Het voorstel tot aanvulling van artikel 9.4, derde lid, Wet IB 2001 maakt de loonbelastingheffing van buitenlandse artiesten en beroepssporters tot een «optionele eindheffing achteraf». Het tarief van deze optionele eindheffing achteraf is opgenomen in artikelen 35a en 35h Wet LB Voor buitenlandse beroepssporters en buitenlandse gezelschappen is in het tweede lid van die bepalingen geregeld, dat de minister ten behoeve van een uniforme heffing bij grensoverschrijdende evenementen de heffing van 20% kan verlagen tot 15%. In het advies van 21 oktober 1999, no.w , inzake de Wet maatregelen aangaande het loon 2000 heeft de Raad kritiek uitgeoefend op de invoering van de mogelijkheid bij ministeriële regeling het tarief van de loonbelasting te wijzigen omdat deze mogelijkheid niet werd ingevoerd met het oog op de afstemming op het vermoedelijke tarief van de inkomstenbelastingheffing maar wegens een uniforme heffing bij grensoverschrijdende elementen. Bij dat wetsvoorstel was sprake van een situatie dat de loonbelasting in alle gevallen voorheffing zou zijn. In het advies heeft de Raad evenwel reeds opgemerkt dat ingeval de loonbelasting ten aanzien van buitenlandse sportlieden eindheffing zou zijn, het tarief als één van de bepalende elementen van de belasting bij wet dient te worden vastges
We Need Your Support
Thank you for visiting our website and your interest in our free products and services. We are nonprofit website to share and download documents. To the running of this website, we need your help to support us.

Thanks to everyone for your continued support.

No, Thanks