Please download to get full document.

View again

of 128
All materials on our website are shared by users. If you have any questions about copyright issues, please report us to resolve them. We are always happy to assist you.

Vegetatie-trends van N-depositie gevoelige duinhabitats op de Waddeneilanden

Category:

Resumes & CVs

Publish on:

Views: 22 | Pages: 128

Extension: PDF | Download: 0

Share
Related documents
Description
Vegetatie-trends van N-depositie gevoelige duinhabitats op de Waddeneilanden Analyse door EGG-Consult onder begeleiding van het OBN-deskundigenteam Duin- en Kustlandschap F.H. Everts N.P.J. de Vries M.J.
Transcript
Vegetatie-trends van N-depositie gevoelige duinhabitats op de Waddeneilanden Analyse door EGG-Consult onder begeleiding van het OBN-deskundigenteam Duin- en Kustlandschap F.H. Everts N.P.J. de Vries M.J. Tolman M. Jongman D.P. Pranger E.J. Lammerts A.P. Grootjans A.M. Kooijman Bosschap, Bedrijfschap voor bos en natuur Oktober 2013 2013 Directie Agrokennis, Ministerie van Economische Zaken Rapport nr. 2013/OBN180-DK Den Haag, 2013 Deze publicatie is tot stand gekomen met een financiële bijdrage van het Ministerie van Economische Zaken Teksten mogen alleen worden overgenomen met bronvermelding. Deze uitgave kan schriftelijk of per worden besteld bij het Bosschap onder vermelding van code 2013/OBN180-DK en het aantal exemplaren. Oplage 150 exemplaren Samenstelling F.H. Everts, EGG Consult N.P.J. de Vries, EGG Consult M.J. Tolman, EGG Consult M. Jongman, EGG Consult D.P. Pranger, EGG Consult E.J. Lammerts, Staatsbosbeheer A.P. Grootjans, stichting ERA A.M. Kooijman, Universiteit van Amsterdam Druk Productie Ministerie van EZ, directie IFZ/Bedrijfsuitgeverij Bosschap, bedrijfschap voor bos en natuur Bezoekadres : Princenhof Park 9, Driebergen Postadres : Postbus 65, 3970 AB Driebergen Telefoon : Fax : Voorwoord Het doel van het Kennisnetwerk Ontwikkeling en Beheer Natuurkwaliteit (O+BN) is het ontwikkelen, verspreiden en benutten van kennis voor terreinbeheerders over natuurherstel, Natura 2000, leefgebiedenbenadering en ontwikkeling van nieuwe natuur. Stikstofemissies (NH3 en NOx) veroorzaakt door industrie, verkeer en landbouw in ons land vormen een ernstige bedreiging voor de Nederlandse natuur, waaronder Natura 2000 gebieden op de Waddeneilanden. De hoge depositie leidt tot een versnelde successie, verruiging en verbossing en een sterke afname van de biodiversiteit. In de eerste helft van de vorige eeuw is de depositie ongeveer verdubbeld vanuit een natuurlijke achtergronddepositie van 8 kg N/ha/jr. Door de modernisering van ons land de laatste 60 jaar is de gemiddelde depositie sterk toegenomen en kwam zij tot een hoogtepunt rond De depositie reikte toen tot gemiddeld 48 kg/ha/jr., een factor 6 hoger dan natuurlijke achtergronddepositie. Sinds die tijd is voor gericht overheidsbeleid en technische brongerichte verbeteringen in landbouw, industrie en verkeer de depositie afgenomen tot gemiddeld ca 30 kg/ha/jaar. Sinds die tijd is de dalende trend gestopt en heeft het meerendeel van de Natura 2000 gebieden nog steeds een te hoge achtergronddepositie in relatie tot de Kritische Depositie Waarde van de toegewezen habitats. Door middel van de implementatie van Programmatische Aanpak Stikstof probeert de overheid weer een nieuwe dalende trend in te zetten, door generieke maatregelen te treffen en daarmee een oplossing te vinden voor de geschetste problemen rond de natuur. Dit wordt mede ingegeven doordat binnen het huidige vigerend beleid (NB-wet) er geen ontwikkelruimte meer is voor economische ontwikkelingen die leiden tot meer emissies van stikstof. De PAS biedt daarvoor de komende 20 jaar een oplossing. Dat impliceert onder meer dat de beheerder van Natura 2000 gebieden wordt gevraagd door middel van herstelstrategieën de natuurwaarden de komende beheerperiode in stand te houden, althans een negatief trend te stoppen. Het voorliggend rapport gaat in op de vraag of het aannemelijk is of de beheerder op de Waddeneilanden aan deze vraag kan voldoen. De vraag werd mede ingegeven doordat op de eilanden recente modelstudies een hogere achtergronddepositie hebben berekend dan voorheen. Voorin het rapport vindt u een samenvatting. Voorts verwijs ik u naar hoofdstuk 5 waar de belangrijkste conclusies worden samengevat en onderbouwd. Ik wens u veel leesplezier. Drs. E.H.T.M. Nijpels Voorzitter Bosschap Summary At the request of the Dutch Government Service for Land and Water Management (DLG) the Dune and coastal areas expert team, part of the Development & Management of Nature Quality (O+BN) knowledge network, was requested to conduct this research on which we are now reporting. The request for proposal included performing a quick scan trend analysis of the development of Nitrogen deposition sensitive habitat types on the West Frisian Islands (Waddeneilanden) during the last 10 to 20 years. Insight into these trends was considered necessary for the implementation of the programmatic approach to nitrogen, the so-called PAS policy (Programmatische Aanpak Stikstof). O+BN has since awarded the assignment to the Ecology Group Groningen (EGG Consult). The assignment encompasses the analysis of vegetation developments in representative sub-areas on the islands by repeatedly comparing two mappings per area. The research focussed on the following habitats: Dune slacks H2190A Humid dune slacks (open water) H2190B Humid dune slacks (calcareous) H2190C Humid dune slacks (decalcified) H6410 Blue grasslands Dune heaths H2140A Dune heaths with crowberry (humid) H2140B Dune heaths with crowberry (dry) H2150 Dune heaths with common heather H6230 Species-rich nardus grasslands Dune grasslands H2130A Grey dunes (calcareous) H2130B Grey dunes (calcium-deficient) H2130C Grey dunes (species-rich nardus grasslands) The analysis was largely conducted based on the comparison of the Staatsbosbeheer mappings available (SBB mappings, at the level of SBB catalogue types) and not based on a comparison of habitat maps. In habitat maps, larger steps in the interpretation from the field situation to a map image and content are made than in vegetation maps. A comparison based on habitat maps therefore results in more noise and a less exact picture of what has actually happened, than a comparison based on vegetation maps. Eleven representative areas were found for which vegetation mappings from the late 1990s and recent mappings were available. In addition to the mapping projects, five ecological recovery projects for which specific monitoring data was available were also analysed in more detail. The following criteria were used to select the ecological recovery projects: 1. good quality vegetation mappings which can be compared are available from at least two different periods; 2. the selected areas are home to multiple Nitrogen deposition sensitive habitats; 3. no significant changes in the area management or other type of dynamics have taken place. The results of all analyses were discussed by the Dune and coastal areas expert team and subsequently assessed and interpreted by EGG Consult together with some members of the expert team (the co-authors). The key features of the conclusions are: Dune slacks The acreage as well as the quality of dune slack vegetation have clearly increased. This is particularly the case in the young dynamic landscapes on island heads and tails and green beaches which have expanded in the last two decades and where sweet water conditions are present for pioneer colonies to settle and subsequently develop into riper species-rich vegetation. At older sites (e.g. beach plains cut off more than 50 years ago, as found on Schiermonnikoog), these landscapes appear to offer opportunity for degradation and regeneration of dune slack vegetation, providing that these landscapes have sufficient size to maintain dynamic gradients. During the last decade, in the old and stabilised dune areas, the acreage and the quality of the dune slacks have mainly increased under the influence of hydrological recovery measures and sods. Where no measures are taken, the number of species and higher plants gradually reduce and reed and marsh vegetation prevail, eventually degenerating to wet thickets. Dune heaths In the past two decades, the dune heaths, which occur naturally on decalcified old dune cores and in the inner dune edges of the islands, have increased in acreage and remained more or less stable in quality. It is striking that in many places the shrub heath vegetation is gradually replaced by dry crowberry vegetation. Species-rich nardus grasslands of widely varying quality are scarce at almost all locations. However, at two locations this has clearly expanded in area and quality. The relatively positive picture of the last two decades is presumably due to the intensive management of the old dune areas, in particular the strong increase in grazing in the dunes, possibly in combination with local sod and chopper projects. It should be noted that on the 1990s vegetation mappings the acreage of dune heath and species-rich nardus grasslands was probably already low. Formerly well-developed dune heath was presumably transformed to heavily grazed dunes. If that is the case, then the positive note is that the negative trend has been reversed in the last two decades. Dune grasslands The methodical problems experienced when comparing vegetation mappings were greatest for the dry dune grasslands. However, it has become clear that the evolution of dry dune grasslands is variable. Expansion is realised in some areas, at other locations the acreage of dry dune grasslands is diminishing. In general, the quality of the dune grasslands is diminishing slightly. The various grazing regimes now introduced everywhere in the dunes have lead to a reduction of the monotonous grass encroachment with Carex arenaria (sand sedge), Ammophila (marram grass) and Calamagrostis epigeios (small reed) and are thereby responsible for the expansion of moderately developed grey dune grasslands. However, grazing does not necessary lead to quality improvements at the level of well-developed grey dunes. After all, in several places it appears that some sand drifting from the foredune zone benefits the quality of the grey dunes. In the ecological recovery projects analysis a number of effects of recovery measures are discussed in detail. The key observations are: Dune slacks From research into the mechanisms behind the appearance and disappearance of typical dune slack species such as Liparis loeselii (fen orchid) it transpires that in a young dune landscape only a short period (10 to 20 years) is needed to build up a population and that subsequently such a species then disappears. Either soil acidification and enrichment with organic matter or competition from newly appearing species belonging to later succession stages may be responsible for this. These type of processes underline the importance of large-scale dynamic landscapes in which the ecological preconditions for dune slack species are repeatedly realised at various locations. From the same type of study it also emerges that there are special places in older, already stabilised landscapes where there is such a strong supply of ground water that in the later stages peat begins to form. Sometimes, in such a phase, typical dune slack pioneer species establish themselves and remain at that location for a long period. Such circumstances can be encouraged by removing artificial drainage systems. Even if there is no peat formation, this way buffer mechanisms (buffering against water level fluctuations and sometimes also against acidification) can be restored which then creates more sustainable circumstances for dune slack vegetation. Dune grasslands and dune heaths From a number of monitoring surveys in grazing projects it appears that in time, extensive grazing eventually reduces the dominance of dense and high growing species such as Calamagrostis epigeios (small reed), Ammophila (marram grass) and Carex arenaria (sand sedge), where virtually nothing else grows, and facilitates the establishment of other species. In addition, in the projects analysed, this encourages the prevalence of mosses and lichens in heath vegetation. This also sometimes considerably encourages the growth of low grasses, especially Festuca ovina (sheep's fescue). Good quality dune grasslands in the grey dunes does not evolve spontaneously, only under the influence of extensive grazing. Drifting sand appears to have a positive influence. Intensive grazing during a limited period seems to be an effective means to suppress old succession stages with high and dense grass vegetation and thickets, such as Prunus serotina (wild black cherry). Locally, it also results in secondary drifting. After a while, expansion is necessary to create opportunities for grey dunes or open dune heaths to develop. More generally and in summary, we can conclude that: management measures in the humid dune slacks to restart succession have been very successful; that natural landscape processes and, more generally, the policy of dynamic coastal management, have been equally successful in compensating the detrimental effects of atmospheric N deposition; and that an appropriate grazing regime (including intensive grazing) can reverse damage to dune heaths and can also (partially) stabilise grey dunes. Finally, it should be mentioned that this research was designed to ascertain what the trends were for Nitrogen deposition in sensitive habitats on the West Frisian Islands (Waddeneilanden) in the past two decades based on the development of the acreage and the quality of the vegetation. The main report and this management summary attempt to answer this research question as fully as possible. No research was therefore conducted into the actual (long-term) effects of Nitrogen deposition on the vegetation due to the steeply rising trend in emissions after the Second World War. During the research, however, we discovered that it would be rather difficult to isolate the effects of Nitrogen deposition from the effects of many other changes that have taken place on the West Frisian Islands (Waddeneilanden) during the past hundred years. This would mean considerable reduction in the usage intensity of the dunes for the immediate resource requirements of the local population, e.g. cessation of cutting sods for fuel, of harvesting Ammophila (marram grass) for roofing, of grazing by island cattle and the like. Furthermore, it would also mean decline of the rabbit population and substantial investment in coastal management, for example fixation of the dunes, erecting drift dikes and coniferous forest planting. Also the construction of drainage systems in the dunes and deepening these in adjoining polders and the expansion of groundwater extraction for drinking water supply have resulted in a certain desiccation and increased mineralisation in the soil. And finally, not to forget the greatly increased Nitrogen deposition since the middle of the previous century. All these changes during the last hundred years have led to increased stabilisation and with this an increase in organic matter and accumulation of organic matter in the dune area. If, in subsequent research, we are to find out more about the specific effects of Nitrogen deposition on the dune habitats of the West Frisian Islands (Waddeneilanden) then it will be necessary to conduct research at a local level into the relationships between the depositions measured, the effects on the balance of nutrients in dune soils and to relate this directly to the development of vegetation. It may be desirable to initiate such research, particularly at those places where the effects of local sources are expected, for example, in the inner dune edge of Schiermonnikoog (see also text box 2 of the main report and the closing remarks of paragraph 5.3). Samenvatting Op verzoek van de Dienst Landelijk gebied (DLG) is aan het Deskundigenteam Duin- en Kustlandschap, onderdeel van het kennisnetwerk Ontwikkeling + Beheer Natuurkwaliteit (O+BN), gevraagd het voorliggende onderzoek uit te voeren. De offerte-aanvraag behelsde het uitvoeren van een QuickScan trendanalyse van de ontwikkeling van voor N-depositie gevoelige habitattypen op de Waddeneilanden gedurende de laatste jaar. Inzicht in deze trends werd noodzakelijk geacht voor de uitvoering van het zogenaamde PASbeleid (de Programmatische Aanpak Stikstof). O+BN heeft vervolgens de Ecologen Groep Groningen (EGG Consult) opdracht gegeven. De opdracht omvat de analyse van de vegetatie-ontwikkelingen in representatieve deelgebieden op de eilanden door per gebied telkens twee karteringen met elkaar te vergelijken. Habitats die in het onderzoek centraal stonden waren: Duinvalleien H2190A Vochtige duinvalleien (open water) H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) H2190C Vochtige duinvalleien (ontkalkt) H6410 Blauwgraslanden Duinheiden H2140A Duinheiden met kraaihei (vochtig) H2140B Duinheiden met kraaihei (droog) H2150 Duinheiden met struikhei H6230 Heischrale graslanden Duingraslanden H2130A Grijze duinen (kalkrijk) H2130B Grijze duinen (kalkarm) H2130C Grijze duinen (heischraal) De analyse is in belangrijke mate verricht op basis van kaartvergelijking van beschikbare kaarten van SBB-karteringen (op het niveau van de catalogustypen van SBB) en niet op basis van een vergelijking van Habitatkaarten. Bij Habitatkaarten worden een groter aantal interpretatie stappen gemaakt van de veldsituatie naar een kaartbeeld en inhoud dan bij vegetatiekaarten. Een vergelijking op basis van habitatkaarten geeft daarom meer ruis en een minder exact beeld van werkelijk opgetreden veranderingen, dan een vergelijking op basis van vegetatiekaarten. Er konden elf representatieve gebieden gevonden worden waarvan karteringen uit de tweede helft van de 90-er jaren van de vorige eeuw en tevens recente karteringen beschikbaar waren. Naast de karteringsprojecten zijn ook nog een vijftal herstelprojecten waarvan gerichte monitoring gegevens beschikbaar waren in meer détail geanalyseerd. Bij de selectie van herstelprojecten werden de volgende criteria gehanteerd: 1. er zijn kwalitatief goede en zo goed mogelijk vergelijkbare karteringen uit minimaal twee verschillende perioden aanwezig zijn; 2. de geselecteerde gebieden herbergen meerdere N-depositie gevoelige habitats; 3. er zijn geen grote veranderingen in beheer of andersoortige dynamiek opgetreden. De resultaten van alle analyses zijn besproken in het Deskundigenteam Duin- en Kustlandschap en vervolgens beoordeeld en geïnterpreteerd door EGG Consult samen met enkele leden van het Deskundigenteam (de mede-auteurs). De conclusies op hoofdlijnen zijn: Duinvalleien Zowel de oppervlakten als de kwaliteit van duinvallei-vegetaties zijn duidelijk toegenomen. Dit is vooral het geval in de zich gedurende de laatste twee decennia uitbreidende jonge dynamische landschappen op eilandkoppen en staarten en groene stranden, daar waar voldoende zoete condities aanwezig zijn voor pioniergemeenschappen om zich te vestigen en zich later tot rijpere en soortenrijke duinvalleivegetaties te ontwikkelen. In oudere exponenten ervan (bijv. meer 50 jaar geleden afgesnoerde strandvlaktes zoals op Schiermonnikoog) blijken deze landschappen gedurende langere tijd gelegenheid te kunnen bieden voor degradatie en regeneratie van duinvalleivegetaties, mits die landschappen voldoende omvang hebben om dynamische gradiënten in stand te houden. In de oude en gestabiliseerde duingebieden is de laatste decennia het areaal en de kwaliteit aan duinvalleien voornamelijk toegenomen onder invloed van hydrologische herstelmaatregelen en plaggen. Waar geen maatregelen genomen worden loopt de soortenrijkdom aan hogere planten geleidelijk terug en ontstaan riet- moerasvegetaties en op den duur natte struwelen. Duinheiden De duinheiden, van nature vooral voorkomend in de ontkalkte oude duinkernen en binnenduinranden van de eilanden, zijn in de afgelopen twee decennia toegenomen in areaal en min of meer stabiel gebleven in kwaliteit. Opvallend is dat op veel plekken de Struikheide vegetaties geleidelijk vervangen worden door droge Kraaiheide vegetaties. Heischrale begroeiingen zijn op de meeste plekken slechts in zeer geringe omvang aanwezig met een uiteenlopende kwaliteit. Wel zijn ze op twee plekken duidelijk toegenomen in oppervlakte en kwaliteit. Het relatief positieve beeld van de laatste twee decennia berust vermoedelijk vooral op het intensievere beheer van de oude duingebieden, m.n. de sterke toename van begrazing in de duinen al of niet in com
Similar documents
View more...
Search Related
We Need Your Support
Thank you for visiting our website and your interest in our free products and services. We are nonprofit website to share and download documents. To the running of this website, we need your help to support us.

Thanks to everyone for your continued support.

No, Thanks